JAN DEN DUVEL en TEUN DEN ENGEL.

Geboren als Jan Janssen in buurtschap ' Bruukske' onder Groesbeek op 13-05-1839. Gestorven als Jan den Duvel in het Gasthuis te Venlo op 08-02-1916.


 

Bijnaam: den Duvel

Het was oktober geworden en de winter lag in het verschiet; de avonden begonnen te lengen, de nachten werden langer. Bij ruw weer was het goed stropen en te smokkelen viel er overigens altijd. Foezel was een gewild smokkelartikel vanuit Duitsland en deze werd gewoonlijk tot aan de Maas gebracht, om van daaruit weer in andere handen over te gaan. Eén van die tussenstations was o.a. Heijen, ter hoogte van het kasteel. Het kasteel Heijen maakte deel uit van de 5 Heerlijkheden in Noord-Limburg; adelijke bewoners bestierden het en 4 van de 6 kinderen waren reeds gehuwd met partners uit de Duitse adel. Alleen de jongste zoon en dochter waren nog met hun ouders op het slot. Het kasteel was mooi gelegen op het vlakke landschap, op enkele honderden meters van de Maas af. De gebouwen waren reeds getuige geweest van diverse wilde taferelen in de afgelopen eeuwen. In het kasteel was een torenhuisje als dagverblijf ingericht voor de jonkheer. Aan de wand hingen enkele schilderijen en de jachtgeweren van de jonkheer. De jonkheer stond bekend als een vrijmetselaar; hij had deze avond bezoek ontvangen van de heer Buizen, ontvanger van Boxmeer en het gesprek wilde maar niet vlotten. Allerlei gedachten gingen door het hoofd van de jonge man. Een besluit moest er binnenkort toch komen; buiten de wachtkamer kontroleerde hij zijn revover. Terug in de kamer joeg hij een kogel door het hoofd van de bezoeker en deze viel dodelijk getroffen neer. Zijn verplichting tegenover de loge had hij volbracht; de opluchting die hij van zijn daad verwachtte bleef echter uit. De jonkheer ging op zoek naar veldwachter Willemke van Lin en samen met de arbeider werd het lijk op een ladder gelegd en met een baalzak erover en de revolver in de hand werd naar de Maas gelopen om het lijk daarin te deponeren. Het was diep in de nacht en ter hoogte van Broenen kwamen zij op de weg naar her veer Heijen-Boxmeer. Beide dragers hoorden iemand lopen; wie kon dat nog zijn, zo diep in de nacht? Het was Jan Janssen, die terug van de Maas kwam en aldaar smokkeljenever had afgeleverd vanuit Duitsland. Willemke beval de man om te blijven staan, doch Jan wilde er het zijne ook van weten, een woordenwisseling ontstond en tenslotte koos Jan het hazenpad. De beide mannen waren hevig geschrokken, doch desondanks deden ze hun opgedragen werk. Jan daarentegen vervolgde zijn weg naar huis in Gennep; met dit alles was hij getuige geworden in deze moordzaak.

De volgende morgen werd de omtrek opgeschrikt door het bericht dat in de Maas bij het veer Heijen-Boxmeer een lijk was gevonden, met een kogel door het hoofd en de revolver nog in de hand. Pas een dag later had Jan het gerucht gehoord in Siebengewald van het gevonden lijk te Heijen. Opeens begon hij zich alles te realiseren en hij was de natuur er niet naar om alles onder stoelen en banken te steken. De jonkheer werd gewaarschuwd voor de praatjes die Jan rondstrooide en het kwam zelfs zover dat Jan, toen hij de jonkheer in diens rijtuig rond zag rijden, voor moordenaar uitschold. De justitie werd in de zaak betrokken en uit voorzorg liet de jonkheer de veldwachter en de arbeider in Rotterdam op de boot zetten, bestemming: Oost Indië. De kroongetuigen waren zodoende van het toneel verdwenen; Jan daarentegen hield vol wat hij gezien had en trok zijn eigen konklusies hoe de moord geschied zou zijn. Echter hij werd aangeklaagd wegens smaad en laster toegebracht aan een eerbare Adelijke familie. De rechtbank zat met een moeilijk geval; men was er toch wel een heel eind van overtuigd dat Jan hier geen fabels stond te vertellen doch de mensen met de ladder; de veldwachter en de arbeider waren al in de Oost en zodoende van het toneel verdwenen. Het ging er dan ook niet bepaald gunstig uitzien voor Jan en na een lang debat en beraad werd Jan veroordeeld wegens smaad en laster tot één maand gevangenisstraf. Dit werd Jan te veel; was er dan geen recht meer te bekennen in Nederland? Hij vloog overeind, het beklaagdenbankje uit en greep de eerste en de beste stoel. Geen parketwachter was bij machte om Jan te benaderen en met de stoel in de hand sloeg hij wild om zich heen. De leden van het parket vluchtten in alle richtingen de rechtzaal uit en met de deur in de hand riep de rechter: "Het lijkt de Duvel wel, het lijkt de Duvel wel". Een versterkte wacht kon Jan tenslotte overmeesteren, de president van de rechtbank maakte van één maand nu twee maanden gevangenisstraf en Jan verdween achter slot en grendel. Onder het publiek waren vele Groesbekers; Jan was als een DUVEL te keer gegaan en de rechter had het op een juiste manier uitgedrukt: "JAN DEN DUVEL"......de naam voor Jan was geboren

Heel ver verwijderd van deze donkere cel wachtte in smart en tranen zijn verloofde Tonia. Ook zij was overtuigd van Jans onschuld en dat hij nu andermans straf moest uitzitten, doch ook dit wachten kreeg een einde. Jan was de tijd wel lang gevallen, doch hij paste zich aan de omstandigheden aan. Al zoveel meegemaakt en nu dit ook nog.  En dan aléén maar omdat hij verteld had wat hij had gezien. "Maar gedaan heeft hij het toch", mompelde Jan in zich zelve.......

(uit het boek van F. H. van Aerssen) In 1952 werd de revue Aijen gaat ’t begaaien opgevoerd met Jan den Duvel als hoofdpersoon.
Een feuilleton (55 afleveringen) in het Dagblad voor Noord-Limburg over Jan den Duvel van Frans van Aerssen uit Aijen (1920-2003) werd in december 1970 gebundeld met de titel "Jan de Duvel ".


 

Jan Janssen

Zoon van Gerard (Gradus) Janssen (arbeider/ bezembinder) *Milsbeek 11-01-1814. Gehuwd op 18-02-1835 met Johanna (Anna) Tonen (arbeidster) *Groesbeek 26-01-1805.

Broer van Drina - Christ en Antoon Janssen.

Op 03-12-1863 trouwde Jan Janssen te Gennep met de weduwe Wilhelmina Hesselmans-Beumers *Heijen 13-07-1816 †Gennep 20-03-1877

Op 17-10-1884 trouwde Jan te Bergen (Lb) met zijn tweede vrouw 'Teun den Engel', woonachtig in Siebengewald. Zij werd op 07-10-1848 als Antonia van Baal in Groesbeek geboren.

Dochter van bezembinder Johannes van Baal *Groesbeek 20-03-1812 †Afferden 06-02-1874. Gehuwd op 15-12-1841 met bezembindster Maria Kersten *Groesbeek 27-10-1815 †Afferden 22-06-1886.  

Ook na zijn tweede huwelijk, als Jan in de kom van Well verscheen om bier te bestellen of naar de Wellsche markt te gaan, werd hij begroet met de naam: "Jan den Duvel". Hij zei, dat het hem niks kon schelen als ze zijn vrouw  dan maar "Teun den Engel" noemden. 

Huwelijksakte van Gerard Janssen en Johanna Tonen.

Gemeente Groesbeek 18-02-1835


 

Bij volgnummer 34 werd Janssen Jan bijgeschreven in het Bevolkingsregister van de gemeente Groesbeek. 


In de tijd dat Jan geboren werd was er in de omgeving geen werk te vinden en gingen de mannen uit Groesbeek veelal werken in 'Holland' om er te helpen met de oogstwerkzaamheden. Niet alleen in de zomermaanden, maar ook voor een groot gedeelte van de rest van het jaar, trokken ze van huis om voor vrouw en kinderen de kost te verdienen. Zo ook Gradus Janssen, de vader van Jan. Een ander inkomen was de verkoop van de bezems die de bezembinders Gradus en Anna zelf maakten. De bevolking leidde min of meer een armoedig duister bestaan. Er hielden zich in het grensgebied allerlei lieden op in de volkslogementen. Sommige gezinnen uit de armoedige buurtschappen verhuisden richting Siebengewald. 

Jan ging zoals veel kinderen in die tijd niet naar school en kon dus net als zijn moeder niet schrijven. Zij had zelf de huwelijksakte niet ondertekend, haar man Gradus had wel zelf een handtekening gezet. De kinderen moesten moeder al jong mee helpen om wat bij te verdienen. Ze gingen b.v. hei houwen om heibezems van te maken en te verkopen. Het trekken naar seizoenswerk in Holland werd steeds meer afgewisseld met reizen tot ver in Duitsland waar naast bezems ook naalden, parapluis en allerlei artikelen werden verkocht. 

In dit milieu en teruggetrokken leven groeide de kleine Jan op bij zijn ouders in Groesbeek en in de omgeving.

Rond 1855 was het werken als dagloner en het venten van de handel niet genoeg om van te kunnen bestaan. Vaak ging dat gepaard met het vragen naar aalmoezen en zodoende ontstond er in lichte mate een 'bedelaarsmentaliteit' waaraan groot en klein meedeed. Gaandeweg werd bij de arme Groesbekers steeds minder verschil gemaakt tussen het 'mijn en dijn'. 

 

Op 21 februari 1854  komt de 15 jarige Jan Janssen te Eindhoven in de gevangenis vanwege bedelarij. Dit werd in die tijd gezien als crimineel gedrag.

Het zou niet de laatste keer zijn dat hij in aanraking kwam met justitie. Op 9 september 1860 zit Jan wegens diefstal in de Einhovense gevangenis en wordt overgebracht naar Leyden (nu Leiden).

Ook zijn broer Toon kwam meerdere keren te 's Hertogenbosch in de gevangenis waar hij  maandenlang zat voor "diefstal en voor diefstal in dienstbaarheid". Verdere aanklacht in 1879: "het toebrengen van schoppen aan agenten der gewapende magt, handelende in de waarneming hunner bediening"


In het voorjaar trokken vanuit Groesbeek grote karavanen van huifkarren Duitsland in en richting Nijmegen om te gaan venten. Ook de jonge Jan en zijn jongste broer Toon trokken zo door de Noord Limburgse natuur. Onderweg werd er gestroopt om aan vlees te komen en ze bezochten bekenden die naar Noord Limburg verhuisd waren zoals gezinnen op de Vreij, de Koekoek, Kreefterheide en omgeving Triangel in Siebengewald.

Als man van rond de twintig jaar kreeg Jan verkering in Gennep, waar hij destijds als arbeider werkte aan de bouw van de spoorbrug. De nieuw aan te leggen spoorlijn Boxtel - Gennep - Wesel bracht veel werk voor de mannen uit de omgeving. De 24 jarige Jan trouwde er met de 47 jarige weduwe Mina. Maar al na enkele jaren werd zijn vrouw ziek. Na dertien jaren huwelijk werd Jan weduwnaar in 1877.

Vanuit Gennep trok Jan weer met broer Toon en hun huifkar naar het zuiden en zij kwamen zo ook in Bergen. Iemand uit Bergen kende vader Gradus Janssen van vroeger en zodoende kregen de zonen een standplaats op de plek waar later het oude gemeentehuis stond. Ze bleven dan in Bergen hangen, waar m.n. de rossige Toon na een bezoek aan de herberg vervelend kon doen en het geregeld aan de stok kreeg met veldwachter Ambrosius. In september trokken ze weer naar Groesbeek want er was kermis. Jan had inmiddels vaker het dorp Siebengewald bezocht en de voormalige Groesbeekse familie van Baal. Zodoende leerde hij hun dochter Tonia kennen. Op Groesbeekse kermis in september, waar iedereen jaarlijks de gewoonte had om elkaar te treffen, kregen ze echt verkering.

Op 17-10-1884 trouwden Jan en Tonia en vierden de bruiloft in Siebengewald. Enkele dagen later vertrokken ze naar het leegstaand en bouwvallige huisje dat Jan nog bezat in Gennep. Die winter stroopte Jan veel en smokkelde schnaps de Duitse grens over, zoals dat veel gedaan werd in die tijd. Het bouwvallige huisje verlieten Jan en Tonia en ze trokken met de huifkar naar Bergen, waar de wagen weer achter café de Keizer werd gezet. Jan voorzag in het onderhoud van gezin door wat ongeregelde handel, stropen en smokkelarij. Soms gingen Jan en Tonia bij een boer werken.

Er werd niet veel meer verkocht met venten en de lange aanwezigheid van de huifkar en de bewoners begon de herbergier te vervelen. Het kwam zover dat herbergier Leopold van Aerssen  er bij de gemeentesecretaris van Douveren op aandrong, zodat deze het met de burgemeester zou bespreken. Voor burgemeester Karel Elders was er slechts één keus: het gezin Janssen - van Baal diende de gemeente te verlaten. Zou de huifkar langer dan een jaar hier staan, dan kwamen ze ten laste van de gemeente. Met Bergse kermis in oktober stond de huifkar er nog steeds. Secretaris van Douveren had een plan om Jan en Teun, zoals ze door haar man genoemd werd, te laten verhuizen. Ze moesten maar gaan inwonen bij het oud kinderloos echtpaar van Brugge. Dit paar woonde in een afgelegen huisje aan de Duitse grens. Als Teun er bij kwam wonen, dan kon deze hen aan een goed einde helpen en bovendien was de gemeente weer een moeilijkheid bespaard. De secretaris werd gemachtigd om het verder met de betrokkenen te regelen. Jan en Teun bekeken het lage huisje. Het was beneden één groot vertrek met aan de ene zijde een afgescheiden slaap gelegenheid en er naast een fornuis. Boven was voor Jan en Teun de zolder om te wonen, dit was ook één ruimte. Na veel omzwervingen kwam het echtpaar in  op 03-11-1885 terecht in dit oud pand op het adres: Ayen wijk D 171. 

Niet lang nadat Jan en Teun er woonden ging het oude echtpaar door toedoen van Piet van Douveren naar een bejaardengesticht. Ze waren te zeer vertrouwd met de eenzaamheid geworden, dat ze de inwoners onder hetzelfde dak niet konden verdragen.

 

Wegens mishandeling werd Jan Janssen 4 keer veroordeeld tot gevangenis straffen van acht dagen - drie weken en 2 keer voor een maand :

Vonnis 27-01-1891 / Vonnis 23-07-1891 / Vonnis 16-11-1891 / Vonnis 14-06-1892 


 

Jan Janssen geboren 13-05-1839. gevangenisregisters | 's-Hertogenbosch | 1897 | Inschrijvingsregister gedetineerden, exclusief voorlopig aangehoudenen.

Jan Janssen werd in eerste instantie van 16 oktober tot 15 november 1897 voor dertig dagen vastgezet vanwege 'beleediging'.


 

Uit de krant van 30-10-1897

Jan Janssen geboren 13-05-1839. gevangenisregisters | 's-Hertogenbosch | 1898 | Inschrijvingsregister gedetineerden.

Van 14 juni tot 26 juli 1898 moest Jan den Duvel nog eens zes weken brommen vanwege smaad in het openbaar jegens burgemeester Theodor Otten


 

Een wijd en zijd bekende logementhouder.

Topografisch woonden Teun en haar man Jan den Duvel in de Aijensche Hut.  Het lang smal huisje lag ca.10 km. ver weg van de Aijense kern, namelijk aan de Duitse grens bij de weg van Aijen naar de Hees in Duitsland, even ten zuiden van 'Grenspaal 519'.  Maar omdat het huisje van Jan en Teun vlak bij hun naaste buren, café-boerderij de Wellsche Hut  stond, (gelegen aan de weg Well - Weeze naast de grensovergang), wordt Jan den Duvel ook in verband gebracht met Well. Jan was gewend om te leven in Gods vrije natuur en heeft de plek aan de grens leren waarderen. Daar richtten Jan en Teun een café en logement in en waren zo niet meer afhankelijk van financiële bijstand van de gemeente. Bierbrouwer Herman Koppers uit Well was wel genegen om het nodige bier te leveren en glazen Toen de dochters van Jan zijn broer Toon ook nog kwamen zingen in het grenscafé, was de herberg een trekpleister voor allerlei klanten, marskramers, kooplui, zwervers, jagers. En hoe kan het anders, ook stropers en smokkelaars behoorden tot de vaste klanten van het logement. Nergens kon men in die jaren zo goedkoop overnachten. Als het in de zomer te heet was boven werd er ook buiten geslapen. Teun verkocht ook nog geregeld heibezems rond de Duitse plaatsen Baal, Wemb, Weeze en Kevelaer.

Jan Janssen had een middelmatig postuur, 1.76 mtr. lang en een grote donkere baard. Veel mensen sloeg de schrik om het lijf als ze in zijn buurt moesten komen. Er was echter geen reden om bang te zijn voor deze zonderlinge persoon. Hij was altijd degelijk gekleed in een lange zwarte jas als hij in de richting van Aijen of Well liep. Op het eind van zijn leven dwaalde hij vaak over de hei met aan zijn hand de kinderen van buurvrouw Hutse Beth, die hij vertelde over zijn duiven, de geiten en de prachtige bok. Hij was gemakkelijk in de omgang met kinderen uit de kern van Well, die hem vaak hielpen de etenswaren een eind mee naar huis te brengen.


 

Een foto uit ca.1905.

Het logement-bierhuis van Jan de Duvel. In de deur staat Teun en de herbergier Jan de Duvel staat achter de stamtafel. Verder van links naar rechts: Herman Kessels en Frans Achten uit Well, Gerrit Hallmann en Henny Looyschilder uit Weeze, Herman Koppers (Wellse bierbrouwer en loco burgemeester van de gemeente Bergen) en Jacob Drissen uit Well.

Bij de deur hing een bord met het opschrift :  Ik woon hier aan den weg.... Wat kan ik beter wenschen.... Dan zegen van den Heer.... En nering van de menschen.


 

Het Logement

Met een ladder moesten de koenders, zoals Jan zijn slaapgasten noemde naar boven op de primitieve zolder. Het nachtverblijf van het logement bestond uit wat strozakken en dekens. Een krijtstreep de scheiding aangaf: aan de ene kant de mannen en aan de andere kant de vrouwen. En wee als iemand over de schreef ging, dan kregen ze met de waard te doen. Jan Bezoekers brachten weleens een trekharmonica mee om daar de boel op te vrolijken. Jan had er zelf ook een en speelde ter afwisseling geregeld een deuntje. In de zomer zaten de gasten buiten aan een tafel om daar in de vrije natuur te genieten van het vrolijke samenzijn. Het houten vat met 'Hertwell' bier stond op een kleine verhoging onder het bed in het slaapgedeelte, zodat er niemand aan kon komen. Teun bakte pannenkoek met krenten op het platte buis fornuis en verkocht ze aan de gasten. Het beslag mengde ze in haar schort. Ook koffie en boterhammen werden verkocht. Jan vertelde vaak van zijn jachtavonturen en smokkeltransacties. Er werd als bijzondere attractie de "Duveldans" uitgevoerd, b.v. als de schutters uit Weeze daar vertier kwamen zoeken. In een grote ijzeren pot werd de duvelsdrank bereid en op de maat van de harmonicamuziek sprong en danste men in het rond. Jan danste met zijn vrouw Teun en zo werd het ritueel van de duvelsdans opgevoerd.De deurposten en raamkozijnen zaten vol met krassen en tekens die de zwervers en bezoekers achterlieten als een soort boodschap in het gastenboek. In de stal, die Jan zelf bij het huisje gebouwd had, stonden de geiten, een bok, een koe en soms een kalfje. Ook hadden ze kippen, een haan en op zijn tijd kuikens. Op zijn duiven was Jan erg trots.

In weinig jaren tijds ontwikkelde de zaak zich tot een druk bezochte en bekende inrichting met de meest beklante herberg uit de hele gemeente. Per week verschudde Jan twee tot droehonderd liter bier. 


 

Er wordt gefeest. Vòòr het logement : Jan den Duvel wordt "bedreigd" door brouwer Herman Koppers. Teun op de achtergrond en liggend of zittend andere gasten uit Well en Weeze, die eveneens in het spel betrokken zijn. 


 

Mensen uit Well en Weeze voeren samen de "Duvelsdans"op. Jan en Teun vormen het "middelpunt".


 

Op 24-07-1910 bezocht de Vereniging van Postbeambten uit Goch het logement en men ging natuurlijk samen met Jan op de foto.

Bovenaan v.l.n.r.:  A. Koenen en zijn vader (met baard), Booten, Johann Goertz, Josef Bäcker, Bettrey, Holtkamp, Peiter, Hermann Willemsen en Jan den Duvel.

2e rij: Kröll, Hendrick (Hassum), Wackertapp, Johann Hofmann, Antoon Huisman, Weschmann en Peter Goertz.

Vooraan: Karl Visser, Fritz Meier, Bernhard Nunnendorf, Jacob Janssen, Thomesen en Peter Maas.


 

Einde van Jan den Duvel zijn logement.

Toen het klooster van de strafkolonie "Petersheim" aan de overzijde van de grens in Baal ook zwervers en landlopers huisvesting bood, was het gedaan met Jan zijn logement." Die verdammte Kolonie" heeft mijn bedrijf kapot gemaakt, klaagde Jan. In de jaren 1912-1916 liep de klandizie terug er kwamen bijna geen klanten meer. De gemeente, de buurvrouw "Hutse Bet" en vrijwilligers moesten zelfs voor eten zorgen toen Jan en Teun ziek werden in hun onderkomen woning met een lekkend dak en vol ongedierte. Dokter Willems kwam zo vaak hij kon. De hygiënische toestand was zo slecht geworden dat hij geen andere uitweg zag dan dat Jan en Teun in een bejaardengesticht  opgenomen werden. Maar in de verste verte wilden Jan en Teun hier niets van weten. Ruim 31 jaren hadden Jan en Teun daar aan de grens gewoond en was Jan den Duvel een bekend figuur geworden in Well en omgeving.

In januari 1916 was de toestand van Jan zo verlechterd dat luitenant van de Boogaard van de Grenswacht ingreep. Hij was uit nieuwschierigheid een kijkje gaan nemen omdat Hutsche Beth er telkens eten naar toe bracht wat van de soldaten over was en de luitenant was getroffen door de staat van verval waarin de woning verkeerde. Binnen trof hij tot zijn ontsteltenis de zieke bewoners aan in armoede en vervuiling. Drie hospitaalsoldaten werden ingeschakeld om Jan op een draagbaar op te halen en naar de Wellsche Hut te brengen. Daar zou hij gewassen worden en schone kleren krijgen. Doodziek werd Jan op 1 februari 1916 door Lei Vink met de kar naar de tramhalte aan de Rijksweg bij Vink gebracht. Met de tram van de Maasbuurt werd hij vervolgens naar Venlo vervoerd en door  de drie soldaten op een draagbaar naar het Gasthuis in de Begijnengang gebracht. Hier was de diagnose: " Versleten, totaal uitgeleefd en op de bodem van zijn krachten". Jan den Duvel werd door de zusters verzorgd. Zijn broer Toon, die destijds in de Venlose wijk Zand-Arabië woonde, heeft hem bezocht, Teun den Engel was te zwak om naar Jan te gaan. Ook werden hem de laatste Sacramenten toegediend. Op zijn werkelijk laatste reis kreeg Jan den Duvel de genade mee van de Kerk, waarnaar hij na een lang afdwaling was teruggekeerd. Hij ging als een Duvel van God op 8 februari 1916 en werd begraven op het Venlose kerkhof. Zo vaak had Jan de stad gehaat; het platteland was zijn paradijs op aarde.

Het verdriet om haar overleden Jan steeg Teun naar het hoofd, ze leed onder hevige angstvoorstellingen en wanen. Eenzaam sleet ze haar tijd in het vervallen huisje.Vrijwel dagelijks ging Hutse Beth naar haar toe en zag haar ellendig bestaan. Hutse Beth kreeg haar zover dat ze met enkele mannen meeging en men verhuisde haar net buiten de kern van Aijen in een ingericht arbeidershuisje bij de familie van Douveren op de Suykerberg, nu Aijerdijk 5. Daags erna werd  het vervallen logement aan de grens omgestoten en gesloopt. Maar ook Teun werd steeds onrustiger, zieker en haar wanen erger. Radeloos verstopte ze zich vaak of vluchtte zelfs midden in de nacht naar een van de buren en verstopte zich in de struiken.  Uiteindelijk werd ze opgenomen in het St. Anna Gesticht te Venray. Daar  overleed Teun den Engel op 27-11-1918 en was weer herenigd met haar man Jan den Duvel.

Aan de Ceresweg, bij de ingang richting de plek waar het logement stond heeft de gemeente Bergen een fraai bord geplaatst. Zodat de huidige tourist weet waar hij zich bevindt. Helaas laat een bijnaam als den Duvel zich niet in den Duivel vertalen.... Jammer.


 

Teun den Engel


 

Jan den Duvel