De grieze kèl / de kluizenaar van de Loi.

Ook veel Wellenaren bezochten de kluizenaar van Wellerlooi en geregeld liet hij zich in Well zien. Dan ging hij bij een Duitse familie op bezoek, die in het Leuken woonde. (huidig adres Leuken 8).

Als slaapruimte gebruikte hij een soort lage huifkar.....


 

Meester Vic Timmermans (links) met schoonfamilie (Bors uit Tegelen) op bezoek bij Wagner.


 

Màn en Dien Hebben-van Soest met zoontje Ai uit de Bosserheide. Verder Toke, Mien en Joep van Soest op bezoek in ca. 1937.


De grieze kèl

In de jaren dertig van de vorige eeuw woonde in Wellerlooi Theophil Wagner, geboren in 1874, hij was afkomstig uit Zawada in de voormalige Kreis Rybnik in het zuiden van Polen (toen Pruisen). Het was een grote man, met een flinke baard en lange grijze haren , vandaar dat hij in Wellerlooi en omstreken ‘de grieze kèl’ werd genoemd. Ze noemden hem ook wel de kluizenaar, omdat hij in een hutje woonde, niet ver van de toenmalige Rijksweg. Het stond half boven en half in de grond. Er stond ook een ingegraven kapelletje bij, dat tevens dienst deed als kelderruimte. Als slaapruimte gebruikte hij een soort lage huifkar. Bij het optrekje had hij een flink stuk grond dat hij gekocht had, waarop bloemen stonden, een moestuin was aangelegd en wat fruitbomen geplant. Alles wat hij over had schonk hij weg.

Toen Theophil Wagner er in 1931 kwam wonen hing hij een bordje op met de tekst ‘Geen toegang. Eenzaam mensch’. Maar misschien juist daardoor kreeg hij veel aanloop van nieuwsgierige mensen. Inwoners van Wellerlooi brachten soms wat eten voor hem mee. Ook kinderen mochten wel eens een kijkje bij hem nemen. Als men hem aansprak antwoordde hij altijd vriendelijk in het Duits en bezoekers mochten hun handtekening op een van de muren van zijn huisje zetten. Ze konden ook ansichtkaarten van hem kopen, waarop hij bij zijn hutje of bij zijn huifkar stond afgebeeld. Veel foto's werden er gemaakt van de bezoekers samen met Wagner.

Wagner, zo wisten velen in Wellerlooi en Well, had een grote kennis van de natuur. Hij genoot zekere faam als kruidendokter. Wanneer iemand uit de buurt een kwaaltje had, ging hij naar de kluizenaar voor een zalf of kruidenmelange. In de dorpskerk van Wellerlooi kwam hij niet, maar dat was hem blijkbaar vergeven, omdat hij een eigen kapel had met een afbeelding van Christus en een H. Hart beeld..

Af en toe deed Theophil zijn woonverblijf op slot en dan trok hij met zijn huifkar naar Duisburg, om daar zijn pensioen op te halen dat hij als mijnwerker had opgebouwd in de kolenmijnen in Hamborn. Het stukje grond in Wellerlooi was door hem gekocht. Soms stalde hij zijn kar bij een boer in de buurt en dan was hij wekenlang weg. Maar hij dook altijd weer op.

De laatste keer dat men hem heeft gezien was op zaterdag 25 maart 1938. Hij vertrok toen met zijn slaapwagen en droeg een zware rugzak op zijn rug. Niemand heeft ooit nog wat van ‘de grieze kèl‘ gehoord of gezien. Binnen enkele jaren werden tuin, bomen en huisje vernield en is later alles opgeruimd.

De trek naar de plek van Theophil Wagner is in de loop van de jaren afgenomen, maar er zijn nog altijd mensen die er even heen gaan als ze in het natuurgebied De Hamert van het Nationaal Park de Maasduinen wandelen. Voor wie zelf wil gaan kijken: het is het pad bij kilometerpaal 90.3 aan de Rijksweg Zuid, net buiten Wellerlooi.


 

Theophil Wagner bij de ingang van zijn woning.


 

Dien Hebben-van Soest met zoontje Ai, haar zusje To en de kluizenaar.


 

ca.1937. v.l.n.r. (neef van familie Derks-Jans) Cor van Beurden en zijn vrouw - Theophil Wagner - Handrie Derks - Piet op het Veldt  en Truus Derks tussen de fruitbomen.


 

Theophil was erg gastvrij en zette graag een kop koffie voor zijn bezoekers. Mensen uit Well - Wellerlooi en omgeving bezochten hem vaak.


 

Bovenstaande drie foto's en tekst zijn uit de krant van 13-10-1934


 

Tekening uit de krant van 26-10-1935


 

Limburger koerier 30-03-1938


WAAR EENS EEN KLUIZENAAR LEEFDE....

Een ongekende vernielzucht op de „stille heide". De waarde van een handvol kersen!


WELLERLOOI. — Is het toch waar, dat de mensch in den strijd om het bezit over lijken gaat? Zoo juist zijn we den breeden heirweg, welke de Keizer Karelstad met het aloude Venlo verbindt, afgestapt en hebben ons door hoog opgaand kreupelhout langs een slingerpaadje, waar we de muffe lucht van den herfst reeds ruiken, naar het „Heim" van den laatsten kluizenaar van Noord-Limburg, Theophil Wagner, begeven. Theophil Wagner Wie kent zijn naam niet? Heel de verre omtrek was met hem vertrouwd en men ging graag een praatje maken met deze schilderachtige verschijning, een man. wiens witten baard en lange, witte haren hem het voorkomen gaven van een apostel. Nu is hij weg, al meer dan twee jaren en niemand weet feitelijk wat er van hem geworden is. Was hij malende? We kunnen slechts vermoedens uitspreken, want op een mooien lentedag in 1938 ging hij stil en in zichzelf gekeerd als een beeld van de meest volstrekte eenzaamheid in de richting van de Duitsche grens om... nooit meer iets van zich te laten hooren. En nu staan we dan wederom voor zijn home. Zijn geest zweeft hier nog rond en het werk van zijn nijvere handen ligt voor ons... Hij had een min of meer romantisch kluizenaarshuisje gebouwd, half onder de aarde bedolven: er stond een eigenaardig, zelf gefabriceerd wagentje op vier wielen op zijn zanderig erf, waarin hij sliep, en wat verder in de heide had hij een soort kapelletje onder den grond gemaakt, dat tevens als winplaats voor water dienst deed. In het kapelletje stond een schilderij met een religieuze voorstelling en... er brandde dag en nacht een lichtje voor. Het geheel was hecht en stevig. Het was er warm in den winter en koel in den zomer. Langs de wanden had hij een voorraad wortelen en aardappelen op bijna spitsvondige wijze opgeslagen voor kwade dagen, en we hadden reden om tevreden te zijn met deze decoratieve verschijning, die als de legendarische koning van de aardmannetjes zijn goedigen kop uit de donkere heide opbeurde. Een werkzame natuur bezat hij. Heel den dag was hij in de weer: hij legde tuinen met mooie bloemen aan, hij sjouwde boomen en planten naar deze eenzame streek, waar hij een strijd met de telkens weer opdringende heide voerde: en zoowaar — wanneer hij tijd van leven had gehad, zou hij hier een soort lusthof geschapen hebben; dan zou hij een verzameling planten en kruiden in deze stille streek tot wasdom hebben gebracht, welke een sieraad zou geweest zijn voor dit heiligdom... De bezoekers, die hun naam in hout sneden of eenvoudigweg erop schreven, bewaarden een dankbare herinnering aan den Noord- Limburgschen kluizenaar.

AFGERUKTE TAKKEN
Tot de boomen, die hij plantte, behooren verschillende kerseboomen; in het vroege voorjaar strooide de lente blanke bloesems erover heen. Waarna de zoete vrucht zich zette. De boomen waren nog klein en waren feitelijk op de toekomst gericht. Maar tóch prijkten ze in den vroegen zomer reeds met heerlijk-zoete kersen midden in deze eenzaamheid, tusschen heide en wild hout, waar een schuw konijntje voor den tred van den mensch wegvluchtte en de nachtegaal zong en jubelde, pronkten aan verschillende boomen sappige kersen. De natuur, die om zoo te zeggen hier plotseling omgelegd was, ging rustig en zonder opspraak haar gang — een oase in de barre heide te scheppen. Toen zijn de kersen rijp geworden. En hier begint pas het drama: hier vraagt men zich af of sommige menschen wel weten wat ze doen. Want niet alleen werden de boomen systematisch van hun vruchten beroofd — och, het was ook niet erg, dat men zich na een verre reis te goed deed aan wat de onbegrepen Wagner zijn nakomers presenteerde, doch ergerlijk en baldadig is de wijze, waarop men hier sinds korten tijd heeft huisgehouden. Men deed niet eens de moeite de kersen van de boomen fatsoenlijk te plukken, doch men rukte in verregaande baldadigheid de weinige takken van de boomen en men vond het blijkbaar niet erg om zelfs de kronen eruit te scheuren. Niet van éen boom, maar van alle.
Het bezit van een handjevol kersen achtte men dus meer waard dan het voortbestaan van deze boomen. Men móest vernielen... Deze schande klaagt vandaag in de bloeiende heide: Wagners schepping is men bezig grondig te vernielen.
Jammer is het, maar waar. Want wat langzaam - aan tot een aardige bezienswaardigheid was geworden, wat iederen zomer opgetogen bezoekers trok, is nu bezig een puinplaats te worden. De vreemdeling, die geroerd werd door de onverdorven natuur en door de gedachte, dat hier een „eenzame man", zooals Wagner zichzelf noemde, op barren leeftijd zijn stillen gang door de heide was gegaan, zal, wanneer hij wederom terug keert naar deze contreien, ontdaan zijn hoofd afwenden om zooveel gemis aan gevoeligheid. Het kapelletje, dat solide gebouwd was, is geheel uit elkaar gerukt. Mogelijk hebben op buit beluste lieden er hun slag willen slaan; misschien dachten zij, dat Wagner in het een of ander geheimzinnig hoekje een kapitaal had verstopt. Zij hebben palen en planken vaneen gerukt, de pomp vernield en een einde gemaakt aan de intimiteit, waaraan de maker jaren lang gewerkt heeft. Zóo grondig heeft men alles vernield, dat van opbouwen geen sprake zal kunnen zijn.

 

OOK HET HUISJE.
Maar niet alleen heeft men zich bezig gehouden met het kapelletje, de boomen en de vaak zeldzame planten, waaraan men den botanicus kan kennen, doch vandalen hebben ook leelijk huis gehouden in Wagners woon — in het merkwaardige huisje, waar de kluizenaar z’n planten en zaden sorteerde, waar hij z’n potje, bestaande uit louter vegetarischen kost, kookte en waar hij in de lange winteravonden de geheimen van bloem en plant trachtte te doorgronden. In tientallen boeken waarin als het ware de bloem doorheen strengelde en de plant haar kruiden openbaarde, snuffelde hij kalm en waardig, terwijl zijn witte baard over het papier veegde, bij het knappend vuur van een langen winter...... Nu is alles dooreen gehaald, dooreen getrokken en dooreen gewoeld. Het is alsof ratten er hun speurtocht doorheen gemaakt hebben. En het is zelfs zoover gekomen, dat de inhoud van het schuurtje, van de blokjes hout tot den kruiwagen toe. vermengd is met allerlei huishoudelijke en merkwaardige voorwerpen, waaraan het hart van Wagner eens hing. Ook hier is een ware vuilnisbelt ontstaan. Naar voorwerpen van waarde heeft men gezocht — en men bekommerde er zich niet om, dat dingen van nóg meer waarde ervoor vernield werden...
Neen, het is geen schoone bladzijde, die de lieden, die hieraan schuldig zijn, in hun levensboek geschreven hebben. Zij waren alleen door vernielzucht en „den heb" gedreven; doch zij hebben de gemeenschap een zeer slechten dienst bewezen.
Dit staat vast: sneller dan men redelijk had kunnen verwachten, zal Wagners „Heim" den weg van volkomen verval zijn opgegaan.

Limburger koerier 12-09-1940


Zie ook: Blog-feuilleton over de kluizenaar van Wellerlooi door Gerard van der Vorst