Johann Wilhelm (Jan) Mercus

Jan Mercus is een van de vier Wellse jongens die in de strijd tegen de Jappen in het toenmalige Nederlands Indië zijn gesneuveld.

De andere Wellenaren zijn Toon Janssen (K.N.I.L.),  Wim Verhoeven (K.N.I.L.) en Broer Sprenkels (Marine).

Jan werd met nog een Friese K.N.I.L.militair en een Indische matroos gebajonetteerd vanwege het ongeoorloofd verlaten van het Jappenkamp.
 

Anneke - Jan - vader Grad - moeder Anna - Piet en Agnes, begin jaren '30.

Piet Kopczinski - Hannes Koppers - Jan Mercus en Hen Peters bij een onderling partijtje voetbal met de jongens van het Wellsmeer.

Ieder Wells buurtschap had in de dertiger jaren wel een eigen elftal, voordat ze zich in 1946 aansloten bij EWC. Het voetbalveld van het Wellsmeer lag bij de huidige woning van Bèr Peters aan de Wezerweg.


 

 

In 1936 bereikte het aantal werklozen in Nederland een hoogtepunt van 480.000. In deze crisisjaren werd er dan ook volop aan K.N.I.L. werving gedaan. Verschillende Wellenaren kozen voor een veilig inkomen en gingen zodoende in het Koninklijk Nederlandsch Indonesisch Leger.

Toon Janssen, zoon van bakker Karel koos in ieder geval voor dit veilig inkomen en waarschijnlijk Jan Mercus ook, niet wetende dat ze nooit meer naar hun geliefde dorp zouden terugkeren......


 

v.l.n.r. Jan - Annie- moeder Anna - vader Grad - Agnes en Piet

De familie Mercus-Roosen in 1938, droevig gestemd lijkt het, net voor het vertrek van Jan en niet wetende dat dit de laatste foto zou zijn waar de familie compleet op staat.


 

De drie kameraden uit het Wellsmeer  Hen Peters - Jan Mercus en Piet Kopzcinski, vlak  voor het vertrek van Jan op 02-11-1938.

Ook Hen en Piet brachten Jan mee weg naar de haven, van waaruit hij naar Nederlands Indië vertrok.


 

De 21 jarige K.N.I.L. kanonnier der artillerie 2e kl. en in het Indisch verzet, 

Jan Mercus *17-06-1917  †22-04-1942

 Laat hier een bloemetje achter voor Jan.*


 

Nederland verklaarde Japan de oorlog op 7 december 1941, als reactie op de Japanse overval op Pearl Harbor. Op 11 januari 1942 landden de Japanners op Nederlands Borneo. In hoog tempo versloegen zij alle Nederlandse strijdkrachten. Op 30 en 31 januari 1942 landden de Japanners op Ambon en namen het snel in. Op 27 en 28 februari 1942 versloegen de Japanners een Amerikaans, Brits, Australisch en Nederlands vlooteskader onder de schout-bij-nacht Karel Doorman in de Eerste slag in de Javazee. Op 5 maart 1942 trokken de Japanners de hoofdstad Batavia binnen. Zij hadden in drie maanden met minimale verliezen geheel Oost-Azië veroverd, met bijna 200 miljoen inwoners

De Europese bevolkingsgroep werd in Japanse burgerinterneringskampen geïnterneerd: bijna alle witte Europeanen en tienduizenden van gemengde afkomst. Deze kampen waren niet te vergelijken met de vernietigingskampen van de nazi's, omdat de inwoners ervan hun dagelijks bestaan (bezigheden, voeding) zelf moesten inrichten. Door grote cultuurverschillen en cultureel onbegrip ontstonden echter grote problemen, zoals voor de Japanse autoritaire stijl en bijvoorbeeld de eis om allerlei exact voorgeschreven eerbewijzen aan de Japanse keizer te brengen. Hoewel de Japanners al meteen na de verovering met standrechtelijke executies begonnen van zowel krijgsgevangenen als burgers, ook vrouwen, die soms publiekelijk onthoofd werden, verergerde hun bewind zich al snel. Niet alleen het reguliere Japanse leger en de marine hadden hierin een rol, vooral ook de Gestapo-achtige militaire politie in het Japanse Keizerlijke Leger.  De bezettende Japanners toonden over het algemeen geen enkel respect voor de verslagen Europeanen.

Anders dan in bezet Nederland werd in Indië een heel groot deel van de Nederlandse en Nederlands-Indische burgerbevolking en militairen in kampen geïnterneerd. Ook buiten de kampen leed de bevolking door een snelle verpaupering en hongersnood. De verhoudingen veranderen radicaal. De blanke machthebbers, die gewend waren in weelde te leven en die dachten dat hun positie onaantastbaar was, verloren in korte tijd nagenoeg alles.
De Indonesische bevolking waande zich eerst bevrijd, maar leed uiteindelijk ook onder de Japanse terreur.


 

Detail uit het verhaal, over wat er zich in een van de vele miliaire Jappenkampen afspeelde: 

In Bandoeng werd op 21 april 1942 de order uitgevaardigd dat iedereen zijn hoofdhaar moest afscheren. Een aantal gevangenen zag wat de mogelijke consequenties waren en weigerde. Gewezen op mogelijke represailles gaven de meesten uiteindelijk toch toe. Uit een barak waar een grote anti-stemming heerste, verdwenen die nacht vijf gevangenen, om, zoals hun kampgenoten veronderstelden, zo snel mogelijk contact op te nemen met de Amerikanen die naar men dacht al veertig kilometer ten zuiden van Bandoeng in aantocht waren. De volgende dag bleek dat drie mannen waren gegrepen. Ten overstaan van honderden krijgsgevangenen werden ze gebajonetteerd.


 

Een medegevangene, Joop Verbaarschott, was getuige van de moord op Jan Mercus en heeft zijn ervaring in 1973 opgeschreven:

 

22 april 1942.., een afschuwelijke dag.


De avond tevoren was er een drukte van belang in als zowel buiten het kamp. Militaire auto’s reden af en aan. De Jappen waren zeer nerveus en wij evenzo. Een algemeen contra appel midden in de nacht, tegen drie uur weer afgelopen, iedereen direct naar bed. Geruchten, dat er drie man waren ontsnapt en de bewakers hadden beschoten. Thans gepakt en veilig opgesloten. 


Ik kon geen rust vinden, was wat zenuwachtig. Ik probeerde met de anderen wat te praten en maakte maar gissingen. Het was natuurlijk niet de manier om elkander wat op te beuren. Enfin van verder slapen kwam niets meer van. Ik ging terug naar mijn slaapplaats. Een vuurtje maken was gauw gedaan, want drooghout was er genoeg. Na een kwartiertje had ik een kop heerlijke zwarte koffie. Intussen was het vuur gedoofd en de resten opgeruimd. Helaas deed de koffiegeur velen naar de keuken lopen. Gelukkig had ik geen grote voorraad gemaakt, zodat allen werden afgescheept dat het al op was.


Om zeven uur in de morgen moest het hele kamp op de grote appelplaats verschijnen, zelfs de barakzieken moesten mee. Nou dat was een gesjouw van jewelste. Velen konden niet eens staan vanwege beenbreuken of grote wonden aan voet of elders. Na enige uren hard aanpakken was ieder op zijn plaats en het appel werd afgenomen. De Nederlandse kampcommandanten moesten naast elkaar vooraan aantreden om hun rapport uit te brengen. De Japanse kampcommandant schreeuwde en tierde tegen de bewakers. De nogal vrij jonge Jappen die dit gedoe nog nooit hadden meegemaakt werden zeer nerveus.


Wij werden ingesloten door ongeveer tweehonderd man, bajonet op en het geweer geladen. Dit massale bijeen drijven van alle krijgsgevangene had ongeveer vier volle uren geduurd. Daarbij was het telkens verplaatsen van groepen van voren naar achteren, van rechts naar links.


De zieken hadden het wel erg te verduren. Alle huizen en kazernes werden goed doorzocht of er geen achterblijvers waren. Tegen half twaalf werden drie geboeiden naar voren geleid.


Zij werden apart gebonden aan de palen van een heg. Het waren twee Hollanders en een Indische jongen. Het bovenlijf ontbloot. Daar stonden drie jonge mannen, die hoewel gebonden aan handen en voeten nog een glimlach op hun gezicht hadden. Hun hoofden waren fier geheven. Plotseling een geschreeuw van commando’s en de boel zweeg. De hoogste Japanse officieren waren op het toneel verschenen.


De officier belast met de executie meldde zich, groet, buiging, groet, buiging.


Even werd er gesproken en uitgelegd waarom deze vertoning was.


De Nederlandse kampcommandanten knikten.


Bevelen klonken, en zes jappen met geweer en geplaatste bajonet traden zij naar voren. Er heerste een doodse stilte, ieder had zijn eigen gedachten en mening.


Ik begreep eerst niet hoe de terecht stelling zou geschieden.


Ook nog niet toen twee jappen per man werden bevolen. Pas op het laatste ogenblik toen de soldaten ongeveer een halve meter voor de gevangenen stonden kreeg ik zo’n rare smaak in mijn mond. Mijn hart klopte als een stoomhamer.


Een der Nederlandse commandanten vroeg aan de drie mannen of zij nog een laatste wens hadden.


Er werd “nee” geknikt.


Zij wilden ook niet geblinddoekt worden.


Hierna klonk een voor ons onverstaanbaar bevel.


De Jappen gilden en schreeuwden, maar de drie jongens riepen zeer luid: “LEVE DE KONINGIN”.


De jappen sprongen naar de jongens toe en staken hun vlijmscherpe bajonetten in de borst en in de buik, draaiden een paar maal en trokken de darmen eruit, steken in de hals en als laatste een steek in het hart. Een bevel, en de soldaten stopte met dit bloedige sadisme. De executie-officier naderde om te controleren of zij al dood waren. Maar de Indische jongen bleek nog te leven. Toen de officier hem naderde kreeg hij een bloedstraal toegespogen, waardoor zijn uniform besmeurd werd. Nog een laatste kreet: “LEVE DE KONINGIN”. Hij kreeg een genade schot met de revolver en liet toen zijn hoofd hangen ……


Velen konden door het lange wachten en in de houding staan zich niet staande houden, waardoor zij tijdens het bloedig drama, van hun stokje gingen. Na afloop van de terechtstelling keek ik even rechts van de groep.


Daar zag ik een jonge soldaat kokhalzen en braken. Intussen maakte hij zijn met bloed besmeurde bajonet met wat gras schoon. Hij stak zijn bajonet weer in de schede en mompelde nogal vrijmoedig dat het geen mooie daad was. Deze soldaat had ik later nooit meer terug gezien.


Ja, een dag om nooit te vergeten


Bandoeng, 15de bataljonskamp, 22-04-1942


 

Een andere medegevangene en die dus ook getuige was van de moord op Jan Mercus, was Charles Burki. Hij was tekenaar en hij heeft heimelijk, op straffe van de dood, honderden situaties uit het Jappenkampleven geschetst. Hij begroef zijn tekeningen toen hij bericht van overplaatsing kreeg. Later zijn ze opgegraven en weer later gepubliceerd. Dankzij Burki zijn er beelden, inclusief het drama van 22 april 1942. 

 Rechts op de afbeelding is Hendrik Karssen geb. in 1918 te Semarang.  Het derde slachtoffer is Andries Hielkema geb. in 1919 te Nijehaske (Friesland).

Het is niet zeker, maar aan zijn haarlok te zien is Jan links afgebeeld.


 

Het is voor de familie nog steeds een raadsel, waarom het meer dan drie jaren lang heeft moeten duren, voordat het Rode Kruis bericht gaf over de dood van Jan. Voor Piet Mercus was dit de reden om nooit meer geld te doneren aan het Rode Kruis.

Jup Kopzcinski (broer van bovenstaande Piet, vriend van Jan) vertelt:

De familie Mercus woonde tegenover ons aan de Wezerweg. Verder woonden in die tijd in "d'n alde bouw" de families Chlod - Polen Joep en Drikus Peters. De buren konden allemaal goed met elkaar opschieten en de" naobere plicht" stond hoog in het vaandel. De moeder van Jan, vrouw Mercus, hielp bij ons altijd als er geslacht was om het vlees te verwerken. Pas nadat  de familie Mercus terug kwam van de evacuatie in Groningen en vader Mercus al gestorven was in juli, hoorden ze van Jan Verzijl uit de Nicolaasstraat het gruwelijke verhaal hoe hun zoon en broer om het leven was gekomen. Jan Verzijl was ook  K.N.I.L. militair in Nederlands Indië geweest.


 

 

Navraag bij het NIOD: Het is bepaald geen zeldzaamheid dat de familie in Nederland pas na de Japanse capitulatie bericht kreeg van het overlijden van krijgsgevangenen in Japanse handen. Het is de vraag of het Rode Kruis hier schuld aan heeft gehad. Door de oorlog waren alle normale verbindingen tussen Nederland en Indië verbroken. Het was het Rode Kruis bovendien niet toegestaan om in de door Japan bezette gebieden in Zuidoost-Azië zelf op onderzoek uit te gaan. Informatie over het lot van krijgsgevangenen moest daarom een lange, trage en moeizame weg afleggen, van lokale Japanse commandanten in Indië naar het regionale Japanse hoofdkwartier in Singapore, vanaf daar verder naar het centrale Japanse krijgsgevangenenbureau in Tokio, vervolgens naar het Internationale Rode Kruis in Genève en dan tenslotte naar het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag. Veel namen van Europese krijgsgevangenen (voor Japanners even vreemd klinkend als Japanse namen voor niet-Japanners) werden door de Japanners verkeerd doorgegeven, waar dan nog bij kwam dat het centrale Japanse krijgsgevangenenbureau zich veelal beperkte tot het doorgeven van de achternaam. Over de plaatsen waar de krijgsgevangenen zich bevonden, werd onvolledige informatie verstrekt. Het gevolg was dat de betrokken regeringen aan het einde van de oorlog niet precies wisten waar haar krijgsgevangenen waren en om welke aantallen het ging.

Er zijn ook aanwijzingen dat de lokale Japanse commandanten er geen enkele behoefte aan hadden om hun superieuren in Tokio tijdig in te lichten over sterfgevallen in hun gezagsgebied. In het ‘Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van dr. L. de Jong (deel 11b, pag. 372) staat bijv. het volgende te lezen over de Zwitserse arts dr. C.M. Vischer, die eind 1943 op Borneo was onthoofd: “Vermelding verdient tenslotte dat de Zwitserse gezant in Tokio op 18 augustus '45, d.w.z. drie dagen na het bericht van Japans capitulatie, door het Japanse ministerie van buitenlandse zaken werd ingelicht dat dr. Vischer erkend was als gedelegeerde voor Borneo van het Comité International de la Croix Rouge — dat Comité had daar van '42 af meer dan drie jaar lang vergeefs op aangedrongen en dr. Vischer was bijna twee jaar eerder onthoofd.”
 


 

26-11-1946 "Het Dagblad" uitgave van de Nederlandsche Dagbladpers te Batavia.

Niemand van de familie Mercus is ooit in staat geweest om het graf van hun zoon en broer Jan te bezoeken. Alles wat de familie heeft zijn foto's van het graf. Hier bezoekt de dienstkameraad Rik Dierx de graven van de drie slachtoffers van 22-04-1942 in Antjol.

In 1949 werd postuum het oorlogsherinneringskruis met de gespen Krijg te Land 1940-1945 en Nederlands Indië 1941-1942 aan Jan Mercus uitgereikt.

Deze brief, behorende bij de oorkonde, werd in 1952 door Minister Leo Peters  gericht aan de moeder van Jan Mercus.

Het huidige graf op het Nederlands ereveld Ancol  te Jakarta.