Hymne op St. Vitus, de Wellse kerkpatroon

Sint Vitus is een martelaar.
Dat is een feit ontwijfelbaar.
Zijn wieg stond in Sicilië,
Ten zuiden van Italië.

Veel weten we niet van Sint-Veith.
Hij leefde in vervolgingstijd.
Zijn vader was in goeden doen
Maar Vitus maalde niet om poen.

Geloof had hem de deugd geleerd,
Tot Christus had hij zich bekeerd.
Zijn vader die een heiden was,
Riep woedend uit: "Dat geeft geen pas!"

De vierde eeuw was in 't begin.
Een wrede keizer kreeg zijn zin,
En zette de vervolging in.
De held koos voor de marteldood.
Alom was d'indruk daarvan groot.

Drie eeuwen later in totaal
Kwam iemand met een mooi verhaal.
Dat speelde in Lucanië
En niet meer op Sicilië.

't Verhaal heeft weinig om het lijf.
Vitus' bestaan staat buiten kijf.
Als jongen zou hij zijn gevlucht:
Gevaren hingen in de lucht.

Die passie klinkt erg legendair,
Is mooi verteld en smaakt naar meer,
Maar rammelt luid aan elke kant
En kent ook menig variant.

Crescentia komt op 't toneel.
Zijn voedster was z'officiëel;
Modestus ook, die leraar was.
Ja, Vitus hoorde bij zijn klas.
 
Zij hebben Vitus toen bekeerd,
De leer van 't christendom geleerd.
Ze vluchtten naar Lucanië,
Per schip vanuit Sicilië.

Als Christen saam gearresteerd,
Naar Rome saam getransporteerd.
De martelingen van de held
Zijn weldra overal verteld,

Met hier en daar een variant.
We lezen dat de beul zijn hand
Bij 't geselen verstijfde plots
Maar Vitus zelf stond als een rots,

Genas de man van 't ongemak.
De leeuw werd als een lam zo mak.
Het beest dat hem verscheuren moest,
Bij 't zien van Vitus werd het koest.

De pijnbank bleek ook geen succes,
Sint Vitus gaf zijn beul een les.
Vol ziedende olie was het vat,
Dat men voor hem in petto had,

Maar ongedeerd bleef hij ook toen.
Een engel had met hem te doen,
Bracht hem naar Lucanië weer.
Daar stierf hij vredig in de Heer.

Wanneer kwam Vitus als patroon
Naar Well? Dat weet men niet precies.
't Was rond 't jaar duizend. Een abdij
Die naar Sint Vitus was genoemd,
In Mönchengladbach, heel beroemd,
Kreeg de parochiekerk van Well
In leen en later kreeg de heer
Van Well het recht van patronaat.
Relieken kreeg de kerk toen ook.
Zorgvuldig werden die bewaard.

 

Als schutspatroon was Vitus groot,
Een helper in de zware nood.
Steeds weer riep men Sint Vitus aan:
Hij was met 't mens'lijk leed begaan,

Voor menigeen een toeverlaat.
De doven, stommen vonden baat.
Bezetenheid , epilepsie
Genas hij dikwijls een twee drie.

Bij onweer, slangenbeet of brand
Stond Vitus steeds aan onze kant,
Beschermheer van wijngaardeniers,
Patronus van de herbergiers,

Van kuiper en van ketelsmid,
Soldaat, acteur en gildelid.
De boer die zaad werpt in de voor
Of graan oogst, vindt bij hem gehoor.

Heel lang bleef Vitus populair,
Verering kreeg hij meer en meer.


 


Vitusdans, Pieter Breughel de Oudere, 1564


 

St. Vitus-dans

Een wilde dans Sint Veith ter eer,
Een tarantella min of meer,
Greep menigeen geweldig aan.

Tot waanzin en tot razernij
Verviel men en werd meegesleept
In trance en extase fel.

Hartstochtelijke fluitmuziek
Beheerste hen en uitgeput
Bezweken ze en zegen neer.

En dan de iconografie:
Wat voor attributen heeft ie?

De mart'laarspalm in het begin,
Symbool van 't hemelse gewin.

De ketel dan, herinnering
Aan d'olie van de marteling.

De leeuw die aan zijn voeten ligt,
Was ooit voor heldenmoed gezwicht.

De adelaar, op wacht bij 't lijk,
Beschermde Vitus zegenrijk.

                                Een kerk draagt hij als kerkpatroon
                                En spreidt hulpvaardigheid ten toon.

De kerk van Well heeft een reliek,
Verheven boven de kritiek,

Een beeld bijna drie eeuwen oud
Uit stevig fraai gesneden hout,
En zilveren missaalbeslag.
Kunstzinnig beeldt dat Vitus af.

Soms staan ze alle drie te saam
Gebeeldhouwd in een groep bekwaam:
Modestus en Crescentia
Met Vitus in de gloria.

Hij draagt een heldenaureool
En staat op menig kerkkonsool
Als loon voor zijn heldhaftigheid,
Nu en in alle eeuwigheid.

Lof zij de Vader en de Zoon,
Die zeet'len op hun hoge troon,
En aan de Trooster, Heil'ge Geest,
Zoals het immer is geweest.


Nijmegen, januari 2013 – Gerard Bartelink

bij gelegenheid van de 86e verjaardag van schoonzus Lucy Thissen