Schoolvakken

 

De vakken die je kreeg waren wel vaak vakken die je nu nog steeds krijgt. De belangrijkste taak van een leerkracht was om de kinderen te leren lezen. Dat is in de schoolwet het eerste verplichte leervak. Lezen werd later uitgebreid met spelling, stijloefeningen en schrijven. Maar ook andere vakken werden steeds belangrijker, zoals aardrijkskunde. Sommige leraren gaven ook natuurkunde. Ook rekenen werd natuurlijk gegeven.  

Zingen was ook een vak, dat na 1857 echt goed gegeven werd. Er waren zangboekjes op school en daarmee leerden ze soms met de liedjes ook gelijk noten lezen. Er werd veel gezongen op de Wellse school, vooral meerstemmig , dat vond men mooi. Ook werden er veel versjes en gedichtjes van buiten geleerd. Hiervoor had je speciale bundels voor div. klassen.

Tekenen was vooral het natekenen van vierkanten, driehoeken en ga zo maar door. Lichamelijke oefening was heel anders als het nu bekende gymnastiek, het was door het lokaal heen marcheren op allerlei manieren, dus niet lekker tikkertje spelen. Maar het werd ook vaak helemaal niet gegeven.

Schrijven was ook heel anders dan tegenwoordig, je schreef namelijk eerst met een lei en griffel. Ieder kind had een eigen lei, griffel en sponzendoosje. Later kwamen er schriften en kroontjespennen. Met een griffel of kroontjespen was het best moeilijk om netjes te schrijven. Ook waren de lettervormen heel anders, en lastiger onder de knie te krijgen.

Nog tot in de jaren zestig van de 20e eeuw werd op de Lagere Scholen geschreven met de penhouder en een kroontjespen, die moest worden gedoopt in een inktpotje in de lessenaar van de schoolbank. Daarbij had je ook nog een inktlapje en een vloei nodig

Verzenbundel voor de Wellse klassen 3 en 4. Titel van het boekje: " Dat vind ik fijn!"

Liedjes en gedichten op school....

In de jaren '20 - '30 leerde je o.a. deze liedjes: Klein vogelijn op groene tak - Daar klinkt in 't dicht geblader - In Mei legt ieder vogeltje een ei -  In het groene dal, in het stille dag - Op de grote stille heide - Wakkere jongens Hollands trots - Waar de blanke top der duinen.

De broers Jan en Nöl Reiniers ( beiden postbode) herinnerden zich nog op latere leeftijd een van gedichten dat meester Arts hen op de vierde klas van buiten liet leren....

De Haas en de vos....

Een vos was op zijn tocht een tuinhaag doorgekropen

en in een hazenstrik geslopen.

Zo mooi, dat voor den hoendergek op geen ontkomen viel te hopen.

Want vaster sloot bij elke trek, de koperen strop hem om zijn nek.

Terwijl hij daar teneder lag, kwam er een haas voorbij......

"Ach beste vrind", zo sprak de vos. "Heb medelij , laat mij niet zo hangen".

De tranen liepen langs zijn wangen..... 

De haas kreeg deernis met den dief, die sprak zoo roerend en zoo lief.

Vergat wat hij misdeed, door kennissen te jagen

En begon fuks aan den strop te knagen.

Zodat hij met een knauw of wat,  die weldra  kapot gebeten had.

"Ha, zo, sprak de vos ; "Zijt gij dat, haas der honden,die mij daar in de nek zoo beet?" 

"Zie eens wat vlokken haar,  wie weet hoe gij mijn pels daar hebt geschonden!" 

Daarbij, zie hier, dit is geen vossenstrop,

die hing men hier voor jou en jouw's gelijken op!

En had men hier van jullie niks te vrezen,

dan zouden hier ook geen stroppen wezen,

Waarin een arme onnozele vos, zo deerlijk schond zijn schone dos.

Och arme zuchtte de haas, "Wat heb ik dan misdreven, ik redde u toch het leven?".

"Het leven, huichelaar?" "Je lust geen vossevlees, en was de strop niet stuk gegaan,

 wie weet, je beet me zo, wat gij mij  nog had misdaan".

Daarop greep de ondeugd met zijn bek, het arme haasje in zijn nek!

 

(Moraal :  Een haas moet nooit een vos verlossen, want..... vossen blijven altijd vossen!)

 Nuttige Handwerkles

Op zaterdagmorgen gingen de meisjes in school op handwerkles, die werd gegeven door Gieneke Coppers. Ze leerden dan stoppen, breien, borduren en verstellen. Alles wat een meisje in haar latere leven van pas zou komen.