Ingezonden brief van Gerard Peters

 Limburger koerier 04-11-1924

In memoriam.  Het Wellsche Mehr.

        NOORD-LIMBURG.

Ze „verrijzen en vergaan", de ontginningen. — 'Sedert den noodlottigen(!) vrede van 1918, raast de „doodsorkaan" ook over deze „scheppingen der menischen". Vele zijn reeds ter ziele en menige landbouw, die vóór en gedurende den oorlogstijd van heide en moeras tot cultuurgrond werd herschapen, heeft weer 't oude, woeste aspect teruggekregen of zal in behoedzaam tempo de productiviteit moeten toonen in bebossching. Een der eerste, grootste en beste ontginningen jn bet noorden van Limburg, sluit zich thans aan bij den treurigen begrafenisstoet. „Het Wellsch Mehr" onder WELL in de gemeente BERGEN zal krachtens bevel der Arrondissementsrechtbank te 's Hertogenbosch" (zoo staat 't er meedoogenloos gedrukt op de groote gele aanplakbiljetten) op 6 nov. a.s. in het openbaar worden verkocht. Deze ontginning, in een mooi vierkant blok gelegen aan de Duitsche grens tusschen de wegen van Well naar Weeze en Well -Kevelaer, werd begonnen door den grooten, welbekenden pionier op ontginningsgebied, de heer Dominicus van Ophoven en naderhand voortgezet door zijne dochter mej. Phil. v. O. In het jaar 1903 pachtte de heer van Ophoven van de gemeente Bergen het grootste gedeelte van de thans bij dit landgoed behoorende gronden voor den tijd van 50 jaren en tegen 'n jaarlijkschen pachtprijs van 5 gulden per hectare. Naderhand werden meerdere complexen daaraan toegevoegd, terwijl ook eenige perceelen van particulieren door den pachter werden aangekocht. Deze perceelen lagen allen langs de Duitsche grens Ook op het aangrenzende grondgebied der gemeente Kevelaer werden gronden aangekocht met het doel van deze ontginning een z.g. „Duitsch bedrijf" te maken. Om dit te verkrijgen moest de „Betriebswirtschaft" in Duitschland zijn gevestigd. Dat gebeurde. Althans formeel werd aan par. zooveel voldaan, de gewichtige Teutoonse bureaucraat was tevreden en de ontginner trok de voordelen. En deze was niet gering: vrije invoer van alle produciten in Duitschland (dat beteekende alleen voor de granen drie gulden per 100 kilogram winst); uitvoer van thomasmeel en kali tegen de binnenlandsch—Duitsche prijzen. Deze voordeelen alleen waren voldoende om een rendabel bedrijf te verzekeren en het is dan ook (rijn vaste overtuiging, dat de groote ontginningen langs de grens alleen daardoor voldoende winsten konden afwerpen.

De oorlog bracht natuurlijk nog heel andere verhoudingen; het Nederlandsch—Duitsche tractaat betreffende de grensbedrijven bleek ten slotte toch geen „vodje papier". De vrije invoer in Duitschland bleef natuurlijk bestaan, maar daarenboven bleven deze bedrijven vrijgesteld van de graanleveringen voor de Nederlandsche regeering terwijl de producten, die in Duitschland werden ingevoerd, ook nog grootendeels op de vrije markt konden gebracht worden. Zoodoende werden deze bedrijven goudmijnen. De Faam deed de rest! Als gieren zweefden 'boven en om deze ontginningen de O.W.'ers, wier geldhonger niet was te stillen en die daar nog gelegenheid bespeurden om hun brandkast nog beter te voorzien. Ook een ander soort rooftuig zwierf eromheen; die handige sinjeurs,. die hun gebrek aan „moneten" op schitterende wijze wisten te vervangen door overredingskracht En zoo moest 't komen, dat de geld- en woord-koningen buit maakten: de eersten kochten zelf en de laatsten vestigden vennootschappen, die kochten. Dat ging alles nog goed, want koopen en betalen gaat via den notaris van een leien dakje, maar toen….Onverwachts brak de vrede uit en de revolutie! Vooral deze laatste is de nekslag voor de Duitsche bedrijven geweest, ofschoon de idiote prijzen, die men 'besteedde en de „gross-herrschaftliche" wijze waarop men administreerde op den duur toen ook naar een debacle moesten voeren. Maar de Duitsche revolutie brak de macht der Landjunker en agrariërs, zoodat van een invoerrecht op landbouwproducten niets meer terecht kwam. En daarmede is m.i. de rentabiliteit der groote ontginningen langs de grens, ook bij normale grondprijzen, zéér problematiek.

Zoo ligt het thans terneer, het eens zoo bloeiende uitstekend beheerde bedrijf der van Ophovens. Eenige jaren voor den oorlog was de geheele ontginning, voor zooverre die nog eigendom was van de gemeente, door Mej. van Ophoven gekocht. Deze verkocht de bezitting ten tijde der hoog-conjunctuur en der landbouwverdwazing aan de N.V. l.andbouwmaatschappij Holland.

Het tooneel veranderde. — Het volk was zoo gewoon „de Juffrouw" zelf te zien: op het land, in de schuren en stallen en op de graanzolders. De menschen wisten dat „de Juffrouw" het wel wist en dat ze haar zaak wel kende, al was ‘t dan geen….boer. Maar nu…! Ja. een N.V. ziet men met en een N.V. heeft geen verstand van zaken! De heeren, die daar namens en voor de N. V. de lakens kwamen uitdeelen, moesten hun deskundigheid nog bewijzen. Ze woonden weliswaar in de stad Nijmegen (wie duivel wil er ook namens en voor een N.V. wonen op een plaats, dit zij als „negorij” bestempelen en kwamen in automobielen aangereden, „de Juffrouw" deed 't met 'n makke „knol" en een „bakje", maar daarmee alleen was „het Wellsche Mehr" te beboeren. En de menschen schuddebolden en maakten ter hoogte van het rechter oor een voor- en achterwaartsche beweging met de rechterhand.... men begreep eikaar. En wat nu gebeurt is van meet af voorspeld, door allen, die ter plaatse bekend waren.

En wat za! er nu gebeuren? — Een alarmkreet gewerd mij uit de streek! Een brief van vriendenhand herinnerde mij aan eene uitlating, die ik mij voor enkele jaren had veroorloofd: „Dat ding zal gauw genoeg onder den hamer komen en dan moet de gemeente t maar terugkoopen om er boerderijen op te stichten". (die automobielende administratie had mij ook geïmponeerd) Dat was 'n onzalige herinnering! En de schrijver vroeg mij, hoe ik er nu over dacht en of er iets te bereiken zou zijn in die richting.

De weemoed sloeg mij om 't hart, want ik voelde wel dat „die scnönen Tage von Aranjuez" voorbij waren! Maar „pour acquit de conscience" ik naar „de bevoegde zijde", waar ik intusschen niet anders te hooren kreeg dan wat ik wist en verwachtte: de fondsen, die het Rijk ter beschikking stelt voor de stichting van boerderijen zijn tot het uiterst beperkt; voorloopig geen vooruitzicht tot verhooging; overigens alleen beschikbaar voor stichting op woeste gronden.

Het “Wellsch Mehr" zal eerst weer eenden- en snippenjacht en korhoendersbroedplaats moeten worden…..en dan zal er geld beschikbaar zijn voor het stichten van boerderijen!

De deftige trappen van „de bevoegde zijde" afdalend, dacht ik aan de miljoenen die beschikbaar zijn om een Scheepvaart-Maatschappij, die in den gouden tijd met de Hollandsche guldens gooide, als waren ‘t knikkers en nu „pleite" is, weer aan 't varen te helpen, en aan eene handelsvereeniging die met staatsgelden speculeerde en op haar g.. terecht kwam en weer op de benen geholpen moest worden!

Wat er nu zal gebeuren?   Och ook ditmaal zal de volksmond ook wel weer de waarheid spreken: De “Juffrouw” zal de teugels wederom in handen moeten nemen. Maar dan is 't èn voor deze kranige werkster èn voor de streek te hopen, dat er in Duitschland maar weer 'n andere revolutie komt en de invoerrechten op granen worden hersteld. Is 't niet dol : het buitenland moet protectionistisch zijn om onzen graanbouw te beschermen en loonend te maken. — Ter overweging aan onze vrijhandelaars en temet aan onze protectionisten! Wellicht zou het debat over de tariefwet met deze puzzle nog interessanter kunnen gemaakt worden.

Ten slotte een stukje locale geschiedenis.—  Het „ Wellsch Mehr" was in vroeger eeuwen een groote waterplas: een meertje, hier en daar onderbroken door z.g. „horsten", dat waren hoogten, waarop hout en boomen groeiden. Een dezer horsten was genaamd „de Reigershorst", omdat zich daarop een broedplaats bevond voor de reigers. Deze vogels en hunne broedplaats werden zorgvuldig beschermd voor de valkenjacht Ook werd in het Mehr de visscherij uitgeoefend. Hierover hebben wij vroeger uit archiefstukken van 't Kasteel Well het volgende opgeteekend: „25 Februari 1649. De inwoners van Well besloten gezamenlijk 't hout te kappen op de Mehrsche Horsten. 's Anderdaags om 8 uur 's morgens werd bij bekkenslag bekend gemaakt, dat het hout aan de inwoners toebehoorde en niet aan heer Diederik van der Lijnden, die het te zijnen profijte voor 4 à 500 gulden had verkocht. Ineen repliek van Januari 1650 door de inwoners van Well tegen den heer, werd het getuigenis van twee mannen opgenomen, dat de heer den eigendom der twee horsten had opgeëischt als behoorende bij de jacht, maar dat de gemeente steeds had geprotesteerd. Er wordt ook gezegd, dat de vroegere heer Adr. van Vlodrop aan Van Lijnden een verklaring gaf, dat de horsten aan de Heerlijkheid behoorden, maar men beweerde, dat dit stuk valsch was en in tegenspraak met den eed door Adr. van Vlodrop bij zijne inhuldiging, afgelegd. Ook is er sprake van eene verklaring van Hendr. van Blitterswijk uit het jaar 1379, die attesteert, dat inwoners recht hebben op 't gebruik van gemeentegoederen: “'t sey water, weide, bosch en de brouck", en dat de heer daaraan niets kon wijzigen. Verder dat zes jaren na den brand van 1615, toen het hout op de horsten verbrandde, Adr. van Vlodrop het hout op de horsten heeft gekapt en naar 't Kasteel liet vervoeren, maar volgens hunne verklaring niet als Heer der Heerlijkheid, maar als inwoner van Well. Verder dat zij het hout kappend op 25 Februari het hout op de groote Reigershorst hebben laten staan, doch niet, wijl zij er geen recht op hadden; dat de heer zijn recht op dat hout niet kon bewijzen, al beweerde hij het niet gekapt te hebben vóór den brand om de reigers niet te storen. Deze brand was door de herders in het Mehr aangestookt. Na den brand zijn de reigers verdwenen.

Over dit hout was steeds ruzie tusschen kasteelheer en inwoners, doch over de visscherij werd nooit gesproken. Dit proces eindigde met een accoord op 20 Januari 1650; aan den heer werd afgestaan de eigendom der twee reigershorsten met nog 6 morgen. De andere horsten en wat zich nog in het Mehr zou wijzigen, bleef aan de gemeente.

1551. Twee oude mannen van 90 jaren getuigen dat Jan van Arendael, heer van Well nooit eenig recht had op het Mehr. Een andere verklaarde, dat Hendrik van Bylandt, Maitre d'Hotel van den Hertog van Kleef en Heer van Well, dikwijls te paard langs het Mehr kwam gereden en de inwoners daar meermalen zag visschen. Hij had hen eens gevraagd: Wel vrienden, vangt gij iets? Zij antwoordden: Ja heer, wenscht U.Ed. wellicht een gebraad? Waarop hij zeide: Neen, als ik visch wil hebben, kan ik hem wel voor mijn geld koopen. — Hieronder stonden de namen van elf personen, oud 60 jaren.

 

 's-Gravenhage. G. PETERS.

Gerard Peters schreef deze ingezonden brief naar aanleiding van onderstaande advertentie uit de krant van 18-11-1924. 

Hij was en bleef Wellenaar in hart en nieren. Gerard Peters was rentmeester op Kasteel Well en daarna van 1904-1918 burgemeester van onze gemeente Bergen.

 

 

 

 

 

 

 


 

 

(vervolg van bovenstaande advertentie)

In de navolgende koopen, combinaties en generale massa als: Koop 1. Bouwland aan den kiezelweg Well—Weeze tegenover Jean Roeffen en naast den Gemeenteweg bij Piet Coppes circa 1.88.10 H.A. Koop 2. bouwland naast koop 1 circa 3.70.15 H.A. Koop 3. Bouwland naast koop circa 4.02.90 H.A. Koop 4. Bouwland (thans aardappelveld) naast koop 3 circa 2.64.14 H.A. Koop 5. Bouwland gelegen ten Noordoosten van den weg naar de Eendekooi en ten Noordwesten van de Eendekooi circa 4.91.70 H.A, Koop 6. Bouwland grenzende aan koop 5 en aan den kunstweg langs de kolonie en aan de waterleiding achter de Eendekooi circa 10.47.00 H.A. Koop 7. Bouwland, schuur, heide en heuvels gelegen links en rechts van de schuur tegenover Thijssen tot aan de hoofdwaterleiding circa 24.43.00 H.A. Koop 8. Bouwland, weiland, heide en heuvels naast koop 7 nabij de Wellsche Hut van den kiezelweg Well—Weeze naar de hoofdwaterleiding en de Duitsche Leigraaf circa 22.35.00 H.A. De koopen 1 tot en met 8 liggen alle in de richting Well—Wellsche Hut aan den kiezelweg Well—Weeze. Koop 9. Bouwland en heide grenzende aan den eigendom van Renier Jans, aan de gemeente Kevelaer, aan anderen particulieren eigendom en den openbaren gemeenteweg circa 11.53.40 H.A Koop 10. Bouwland grenzende aan koop 9, aan particulieren eigendom en den weg aan de Groote Waay naar Kevelaer tegenover de ontginning van den Heer Lichters groot circa 22.88.00 H.A. De gemeenteweg langs koop 8 loopt door koop 10. Koop 11. Bouwland en heide aan de Molenbeek en den weg van de Groote Waay naar Kevelaer tegenover de ontginning van den Heer Gerber, circa 9,28,65 H.A. Koop. 12. De perceelen villa, huizen, arbeiderswoningen, schuren, loodsen, bergplaats, bouw en weiland, ontgonnen grond en weg, zijnde de geheele ontginning, met uitzondering van voorschreven 11 koopen groot circa 265.71.56 H.A. Voorts de navolgende combinaties: massa 1 en 2 circa 5.58 25 H.A., massa 2 en 3 circa 7.73.05 H.A., massa 3 en 4 circa 6.67.04 H.A., massa 1, 2 en 3 circa 9.61 15 H.A., massa 2, 3 en 4 circa 10.37.19 H.A., massa 1, 2, 3 en 4 circa 12.25.29 H.A, massa van 5 en 6 circa 15 38.70 H.A., massa 7 en 8 circa 46.78.00 H.A., massa van 5, 6 en 12 circa 281.10.26 H.A., massa van 5, 6, 10 en 12 circa303.98.26 H.A. De generale massa groot circa 383.83.60 H.A. Te aanvaarden: a alle met pannen gedekte schuren, drie-vierde van de asphaltschuur, c de geheele zolder in het gebouw, aan de asphaltschuur gebouwd — behalve echter van het gedeelte boven den paardenstal — en c) de paardenstal op het perceel no. 1868 op 1 Februari 1925 en de rest direct na de toewijzing. Betaaltijd 15 Februari 1925. Lasten vanaf 6 November 1924 voor kooper. De goederen behooren in eigendom aan de N.V. Land bouw-Maatschappij „Holland" te Nijmegen. Een authentiek afschrift der veilconditiën is ter griffie der Arrondissements-Rechtbank te 's-Hertogenbosch nedergelegd.