Willem Liedel, zoon Pieter Willem baron de Liedel de Well en kleinzoon baron Willem Louis

De familie Liedel (in sommige oude akten als Lydell of Liddell geschreven) stamde volgens de oudst bekende gegevens uit Mayen, bij Koblenz. George Liedel vestigde zich achtereenvolgens in Zevenaar, Maastricht en wederom in Zevenaar. Hij was "employé du Roi de Prusse", een Pruisisch grensambtenaar.  Hij en Maria Kramp waren de ouders van Willem Liedel. 

De oudere generatie Wellenaren heeft de naam (De) Liedel bij het periodiek oplezen van de namen van de kasteelheren uit het eeuwenoude "zielenboek" door de pastoor, nog op z'n Frans horen uitspreken. Dus als De Liedèl, met de klemtoon op de tweede lettergreep. Deze Franse uitspraak is door de familie zeker ook al gebezigd nadat Willem Liedel in 1764 een riddertitel "gekocht" had bij de Koning van Pruisen en eerst "Von" en later "De" voor zijn achternaam liet zetten. Ook zijn zoon Pieter, die voornamelijk Frans schreef en waarschijnlijk ook sprak, zal zich zeker De Liedèl genoemd hebben. Hij was nl. ook korte tijd kamerheer van Napoleon. De oorspronkelijke Duitse uitspraak van De Liedel (met de klemtoon op de eerste lettergreep) wordt nu weer door de na-oorlogse generaties gebruikt. Zij hebben de "Franse" naam immers nooit horen uitspreken en lezen als vanzelf de Duitse variant.

 

Ridder Willem Liedel liet zich in 1771 afbeelden, met een snuifdoos in zijn hand, door schilder J. A. Marquart.

Marquart is een weinig bekende kunstenaar die in de jaren 1761 - 1784 werkzaam was in Gorinchem.  In 1905 bij de grote verkoop van het kasteel Well en de gehele inboedel staat dit porteret omschreven als volgt: Portrait d'un seigneur vu à mi-corps en habit bleu de gala, gilet de brocatelje.


Willem Liedel *Zevenaar 01-11-1713 †Well 15-09-1777. Hij voer met de rang van oppermeester bij de V.O.C. o.a. op de schepen de Hofvliet, Noordwijkerhout en Voorzichtigheid. Een oppermeester, de hoogste rang, werkte al dertien jaar in de heelkunde voordat hij aan boord kwam en was gemiddeld een jaar of dertig.Veel scheepsartsen hadden naast hun eigenlijke werk ook nog een bestaan als handelaar, waarmee, als over de loop der jaren eenmaal een goed netwerk was opgebouwd, zeer veel geld verdiend kon worden. Als voormalig scheepschirurgijn, was ook Willem Liedel als koopman door handel rijk geworden in Indië. Later woonde hij aan de Leuvehaven in Rotterdam.

Thans rentenierend te Rotterdam zocht hij als een moderne oweeër relaties te maken en kennis aan te knopen met menschen, die hij daartoe de moeite waard achtte en pluizend in zijn familie-herinneringen, viel hem in, dat zijn grootvader, Melchior Kramp een zuster had, Catharina, die een Wichmans had getrouwd. Hun dochter, Anna Maria Judlth Wichmans, was getrouwd met Reinier van Stepraedt, een huwelijk, dat voor de stand der Wichmansen en Liedels onverhoopt mooi was. De oude relaties weer aanknopend met een zo in aanzien gestegen familie, vond Willem Liedel uit, dat de dochter van Reinier van Stepraedt en Anna Maria Judith Wichmans, namelijk Odilia Louisa Cherubina van Stepraedt, gehuwd was met niemand minder dan Antoine Maximilien, graaf de Pas, markies de Feuquières, heer van Well. Zijn achternichtje was dus een gravin! Willem Liedel ontdekte verder, dat het grafelijk paar op het slot Well woonde en dat de omstandigheden niet zo heel schitterend waren. Allemaai factoren, die hem goed te pas kwamen.

Toen nam hij zijn beste pen en sleep er een extra fijne punt aan, schoof zijn pruik recht, schikte de kanten lubben van zijn jasmouwen en schreef aan zijn adellijken neef deze brief: ,,Soo het sijn hoog edelgeboren behaegen mogt Holland eens te koomen sien, gelieve U Wel Edele mij de eer aen te doen, bij mij: te koomen loseeren, mogelijk sulje wel begerig wesen, wat mijne professie is, en daer op dient in 't kort, ik niets bij de hant hebbe en eenelijk van mijn rente leeve, met twee dienstmeijssies en een laqueij, ongehuwt."
Het briefje kwam te Well aan en vond er gunstig onthaal. Een rijke neef was er welkom en zo ontstond een vriendschappelijk omgaan tussen Well en Rotterdam en was het Willem Liedel, die vaak te Well kwam „loseeren". Daar voelde Willem Liedel zich op zijn plaats, in een deftige omgeving, bij goeden adel, waaraan maar een enkel ding ontbrak* namelijk, dat hij zelf van die adel nog geen sieraad was. 

Willem Liedel verbleef dus al lang voordat de graaf en en zijn achternicht stierven op het kasteel in Well. Het enige wat ontbrak toen Willem Liedel het kasteel erfde was een adelijke titel en een vrouw. Zijn verzoek in 1759 aan de hertog van Parma om een graventitel werd afgewezen, immers Willem moest bewijzen dat hij verwant was aan adelijke families. In 1764 boekte hij zijn eerste succes, toen de Duitse koning Joseph II troonopvolger werd. Het gelukte Willem Liedel in 1764 een riddertitel te verwerven bij de kroning van Joseph II te Frankfort, waardoor hij zich in 't vervolg "Chevalier du Saint Empire",  kon noemen, vertaald: Ridder van het Heilige Roomse Rijk. Het werd ook tijd want Willem was al vijftig en niet bijster gezond. Toen hij kasteel Well erfde was hij 57 jaar en nog steeds vrijgezel. Zijn oude droom van een adelijk huwelijk gaf hij maar op.

Willem Liedel was nu heer van Well, Bergen en Aijen. Hij kwam in 1771 door overerving van zijn achternicht Odilia van Stepraedt, getrouwd met graaf De Pas de Feuquières, in het bezit van Kasteel Well. Ook kasteel Aldendriel in het Brabantse Mill en kasteel Annadael in de gemeente Echt Susteren kwamen zodoende in zijn bezit. Op dat moment werd zijn persoonlijk bezit geschat op meer dan 1 miljoen gulden.  

Hij huwde ijlings in 1772 in Antwerpen met de 21 jarige schependochter Theresia Josepha Maria Coget en hield op 12 juni 1772 met zijn bruid zijn intocht in het prachtig versierde Well. Na vijf jaar stierf Ridder Willem Liedel op 15 september 1777. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Pieter Willem, Maria Anna Theresia Louisa en Willem Joseph George Philip, welke laatste in 1788 op 11-jarige leeftijd overleed. Douairiére Theresia de Liedel-Coget overleed kort daarna in januari 1789 op 38-jarige leeftijd, zodat de overgebleven twee kinderen al vroeg wees waren en bij familie in Antwerpen ondergebracht werden. Voogd was een broer van hun moeder, kannunik P. J. Coget. Theresia werd bijgezet in de nieuwe grafkelder onder het koor van de St. Vituskerk aan de Maas. Die grafkelder had zij laten maken. De zaken in Well werden door een rentmeester waargenomen.

Zoon Pieter Willem volgde vanaf 1793 aan de universiteit van Leuven een juristenopleiding en zou zich pas na zijn huwelijk in Wenen in 1798 met Annette von Schloissnigg weer op Kasteel Well vestigen. Inmiddels was het feodale tijdperk voorbij en was hij "gewoon" grootgrondbezitter geworden. Zijn zuster Marianne trouwde in 1802 in Wenen met de broer van Pieter Willem's echtgenote, zodat hier sprake was van een echt kruishuwelijk. Marianne overleed in 1822 in Wenen. Aangezien Pieter Willem's zoon ongehuwd bleef en zijn dochter Sophie al op 15-jarige leeftijd overleed, zijn er alleen nog nakomelingen van de Weense tak Von Schloissnigg - De Liedel.


 

Pieter Willem, later Pierre Guillaume, nog later weer Pieter Willem de Liedel de Well.

Baron Pieter Willem de Liedel de Well, geboren te Well 19 mei 1774, overleden aldaar 2 december 1852, was de zoon van Willem Liedel en Thérèse Josèphe Marie Coget.

Pieter Willem kwam in 1794 tijdens een reis door Europa in Wenen in contact met de adellijke familie von Schloissnigg. Op 25-01-1798 trouwde hij in Wenen met (Anna Elonora Odilia) Annette von Schloissnigg *Wenen 06-06-1779. Ze kregen twee kinderen: Willem Lodewijk Jan Baptist *Well 20-02-1799 †Bonn 10-03-1849 en Sophia Francisca Antonia * Wenen 1801 †Well 02-05-1816. Pieter Willem was een keurig, accuraat en voorkomend heer, die erg op etiquette was gesteld en daardoor wist hij zich zeer goed te bewegen. Het zat hem dwars, dat hij zich alleen maar baron mocht noemen omdat hij heer was van de heerlijkheid of baronie van Well. Maar nog in datzelfde jaar 1809 verleende keizer Napoleon hem de titel baron de l'Empire. Pieter Willem noemde zich nu voortaan Pierre Guillaume baron de Liedel de Well. 

Kamerheer.

Toen Napoleon op 11 maart 1810 trouwde met de Oostenrijkse keizersdochter Marie Louise, begon baron Pierre Guillaume door middel van verzoekschriften, brieven, vragen en tussenkomst van hoge hofbeambten hemel en aarde te bewegen, om kamerheer van keizer Napoleon en keizerin Marie Louise te worden. Als Oostenrijkse kende Marie Louise de barones Annette de Liedel - von Schloissnigg persoonlijk. Zoals zijn schoonvader in Oostenrijk kamerheer was van de Oostenrijkse keizer, zo wilde de Liedel datzelfde ambt krijgen bij diens Franse schoonzoon Napoleon. In het kasteelarchief van Well is lange tijd met grote zorg een uitnodiging van keizer Napoleon bewaard. Deze uitnodiging was gericht aan Madame de Liedel, Rue des Cournells 35, Paris. En daarin werd zij uitgenodigd om bij Napoleon op audiëntie te komen op maandag 21 maart 1811 in de troonzaal van het paleis der Tuillerieën. Twee jaar later, op 7 april 1813, kreeg Pierre Guillaume de Liedel de Well zijn aanstelling als kamerheer, maar de glorie van de keizer begon toen al te tanen. In hun korte Parijse periode zag het echtpaar de Liedel de Well kans, vriendschap te sluiten met veel Franse edellieden. Maar een half jaar na de Liedels aanstelling was het afgelopen met de macht van Napoleon. In februari 1814 zat de Liedel al weer veilig op zijn kasteel in Well. Hij had in Parijs tijdig de plaat gepoetst en kon nu zijn fraaie uniform wel voorgoed in de kast hangen en zijn Franse baronnentitel vergeten. Pierre Guillaume werd weer Pieter Willem. Het prachtige kamerherenuniform met de gouden sleutel is op het Wellse kasteel bewaard gebleven tot de grote uitverkoop van 1905.

Verbouwing kasteel Well.

In Parijs had het echtpaar de Liedel kennis gemaakt met de Empirestijl, Pieter Willem was er zo ondersteboven van dat hij het hele kasteel begon te verbouwen. De oude Donjon op de binnenplaats liet hij afbreken. De mooie oude kruis- en boogvensters moesten wijken voor hoge moderne ramen. De binnenplaatst werd van nieuwe muren voorzien, om in het het kasteel gangen te kunnen aanleggen. Al in 1806, dus voor zijn Parijse tijd, had hij grote lindenlanen langs de buitengrachten en langs de "Gaarde" laten planten. Maar nu werden ook de wallen rondom het kasteel voorzien van sierheesters, bomen, rozen en andere bloemen. Ook de "Sterrenbos" was een aanleg van Pieter Willem de Liedel.Het interieur van het kasteel werd eveneens onder handen genomen. 

Jonkheer.

Tijdens de werkzaamheden werd Well in 1815 ingedeeld bij het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Pieter Willem werd op 16 februari 1816 door koning Willem I opgenomen in de Limburgse ridderschap met de titel van jonkheer.

 

Groot verdriet op kasteel Well.

Nog geen drie maanden later, op 02-05-1816, trof hem en zijn vrouw een zware slag. Hun dochter Sophie stierf op vijftien jarige leeftijd. Ze werd bijgezet in de adelijke grafkelder van de St.Vituskerk aan de Maas. De schok verlamde de lust om het kasteel verder te verfraaien en ook de modernisering van het interieur kwam stil te liggen. Wel liet de Liedel nog in de voorhof voor zijn enig overgebleven kind Willem, een paardenstal bouwen, die plaats bood voor twintig paarden. Voor hun dochter Sophie werd midden in het Sterrenbos een grafmonument geplaatst met een gedenkplaat.

Overlijdensakte van Sophie Francoise Antoinette de Liedel.

 

Vrij vertaald uit de Franse tekst van Sophies gedenkplaat staat hier o.a.:

Op vijftien jarige leeftijd 
In alle opzichten was zij een engel op aarde.
Zij was de vreugde en het geluk van haar moeder, zacht van karakter, bevallig van gestalte en zij bezat alle kwaliteiten van hart en geest.
Zij was de beste onder de meisjes en zij was een toonbeeld van een toekomstige echtgenote en moeder."


Nog in hetzelfde jaar dat Sophie stierf benoemde koning Willem I hem op 14-11-1816 tot lid in de Provinciale Staten van Limburg en deed de Liedel zijn intrede in de Nederlandse politiek. Door zijn medeleden werd hij op 15-07-1826 tot lid van Gedeputeerde Staten en 04-07-1827 tot lid der Tweede Kamer gekozen. Met de laatste verkiezing verviel het lidmaatschap der beide andere colleges. Inmiddels was hij ook burgemeester van onze gemeente Bergen geworden, welke functie hij 18 jaar lang bekleedde van 1818-1836. In Nieuw Bergen is nog een straat naar hem vernoemd.

Baron.

In 1822 werd hem bij Koninklijk Besluit de erfelijke titel van baron verleend, ondanks de tegenwerking van de Hoge Raad van Adel, die oude adelijke papieren eiste. Zijn zoon zou later het recht krijgen zich al baron te noemen toen zijn vader nog leefde.

Rijzende ster.

De Liedels ster bleef rijzen: In 1826 werd hij lid van Gedeputeerde Staten, nog een jaar later, op 04-07-1827 werd hij gekozen tot lid der Staten Generaal. Toen echter de Belgische provincies (waartoe ook ons Limburg behoorde) in opstand kwamen tegen de Hollandse overheersing, koos de Liedel de Belgische zijde. Op 27-09-1830 werd hij in het arrondissement Roermond gekozen waar hij afgevaardigde werd als lid van de Belgische nationale vergadering. Pieter Willem de Liedel was wel gekant tegen de overheersing uit Holland, maar niet tegen koning Willem I, met wie hij persoonlijk bevriend was. Op 24-11-1830 was hij een van de 26 leden, die tegen het (met 161 stemmen vóór aangenomen) voorstel stemden om het huis Nassau voor altijd van den Belgischen troon vervallen te verklaren. Hij werd, toen deze vergadering 21-06-1831 uiteenging, niet in een der beide kamers, waaruit de Belgische volksvertegenwoordiging voortaan bestond, gekozen. En in 1836 werd hij door de Belgische koning niet meer herbenoemd tot burgemeester.

Well en het Koningshuis

Toen ingevolge de beschikking der grote mogendheden het oostelijk deel der provincie Limburg tot Nederland terugkeerde, was de Liedel de enige Limburger, die op 06-10-1840 door de Koning tot lid der Eerste Kamer benoemd werd. Hoe goed de verstandhouding met het Nederlandse koningshuis was, bleek wel, toen koning Willem II een tocht maakte door de provincie Limburg. Well genoot de bijzondere belangstelling van de koning zoals blijkt uit het verhaal op deze pagina.

Hij was bij de behandeling van de voorstellen tot grondwetsherziening in 1848 een van degenen, die daarmede nagenoeg geheel instemden. Zijn lidmaatschap verviel vanzelf bij de sluiting van de Kamers op 20-12-1848 en met het oog op zijn leeftijd wenste hij niet in de nieuwe Eerste Kamer opgenomen te worden.

Wel werd hij nog 01-06-1850 in plaats van zijn overleden zoon, door de ridderschap tot lid der Provinciale Staten van Limburg gekozen, maar ook dit mandaat eindigde automatisch ten gevolge van de provinciale wet in september d.a.v.

Relatie met schoonzus.

Pieter Willem had ook een buitenechtelijke relatie met Eleonore Philippine von Schloissnigg (1780-1851), de jongere zus van zijn vrouw. Uit deze relatie werd een dochter Marianne (1804-1878) geboren. De verzonnen achternaam van Marianne, Von Evers is mogelijk afgeleid van het wapen van Von Schloissnigg, dat de kop van een everzwijn bevat. Later heeft zij nog van Aldendriel aan haar achternaam toegevoegd. Zij woonde óf kort na het overlijden van Sophie in 1816 óf nadat zijn vrouw Annette ca.1821 vanwege een geestesziekte opgenomen was in een gesticht van de Zwarte Zusters in Leuven, bij haar vader en halfbroer Willem op kasteel Well. Marianne stond haar vader bij in zijn laatste, ongelukkige levensjaren. Over haar gaat het gerucht dat zij vanaf 1817, amper veertien, een buitenechtelijke relatie had met de latere koning Willem II der Nederlanden (1792-1849), waaruit twee kinderen geboren zouden zijn: Willem der Nederlanden (1818-1902) en Marianne der Nederlanden (1820-1900). Deze beide kinderen trouwden en kregen nageslacht tot op heden. Stukken om hun koninklijke afkomst te bewijzen ontbreken echter vooralsnog. Marianne von Evers kreeg bij het overlijden van haar vader Kasteel Aldendriel in Mill in haar bezit en het volledige vruchtgebruik tot haar dood van alle bezittingen in Well, Mill en Echt. Over Marianne is een boek verschenen: Een Freule van dertien, waarover hier uitgebreid te lezen is.

Pieter Willem overleefde behalve zijn vrouw, die op 03-08-1850 te Leuven overleed, ook zijn twee kinderen, Sophie (1801-1816) en Willem (1799-1849).


 

 


 

Baron Willem Lodewijk Johannes Baptista de Liedel de Well. 

*Well  20-02-1799 †Bonn 10-03-1849. Hij was de zoon van Baron Pieter Willem de Liedel de Well  en Annette Eleonora Odilia von Schloissnigg. Hij werd door de eigenerfden van het district Kessel 02-06-1823 gekozen tot lid der Provinciale Staten van Limburg en had dus zitting met zijn vader. Op  01-06-1826 ging hij naar het district Bergen over. Hij werd ter vervanging van zijn vader op 04-07-1827 tot lid van Gedeputeerde Staten van Limburg gekozen en bleef dit nog enige tijd nadat Limburg, met uitzondering van Maastricht, door de Belgen bezet werd. In 1835 werd hij niet herkozen. Toen oostelijk Limburg ingevolge besluit der grote mogendheden aan Nederland kwam, werd hij door de Koning 30-09-1841 tot lid der Staten van die provincie voor de ridderschap benoemd en vervolgens geregeld herkozen.

In 1848 werd aan hem, die wel jonkheer was, maar de titel baron eerst na de dood van zijn vader zou erven, de laatstgenoemde titel verleend.  Baron Willem was ongehuwd en overleed in Bonn aan de gevolgen van een val in Maastricht.