Kasteelleven in de 18e eeuw

(Een artikel uit 1910, in de Nederlandse taal van die tijd.)

Weekblad Buiten, dat naar buitenplaatsen snuffelt en het liefst, deftig, naar kasteelen, vindt nogal wat in Limburg. Mooi of rijk zijn de burchten vaak niet, maar deftig en van-ouds-machtig wel. Zoo het kasteel W e l l. De heer A.F. van Beurden vertelt er grappige geschiedenis bij. “Wij wenschen de lezers van “Buiten” een oogenblik te ontvoeren aan de hen omringende omgeving van zenuwachtig twintigste-eeuwsch leven tussen electrische trams, bliksemtreinen, luchtschepen, telegraaf en Xstralen- en hen te verplaatsen in een landelijk, kalmeerend, rustig milieu aan de groene boorden der Maas in den tijd, toen de groote Fransche omwenteling Europa en nog minder Limburg geschokt had en van aanzien veranderd.

Naar het dorp Well in Noord-Limburg!


Destijds zetelde daar Heer Genade, zooals ’t volk hem aansprak, als gebieder over de vrije heerlijkheid Well, Bergen en Aijen, als bezitter der kasteelen Annadaal bij Echt en Aldendriel bij Grave een van die menschenkinderen, wier leven als door het geluk geleid scheen te zijn, wier handelingen altijd met goed gevolg bekroond werden.


Een wonderding, dat geluk! Die ’t naloopt vangt het niet, die er niet naar omziet wordt er door omhelst. De heer van Well, Willem Liedel, was een zoon van Geurgen Liedel, Czn uit Maijen, een Pruis ambtenaar van lageren rang; hij was in 1713 geboren en had het chirugijnsvak geleerd. Willem was dan ook in 1735 op 22-jarigen leeftijd als chirurgijn met een schip van de O. I. –Compagnie naar Indië vertrokken, had eenige malen de reis op en neer gemaakt en vestigde zich in 1745 als vrijbuiter in Batavia. Hij was spoedig in compagnie van Bram Boogaard en Elso Sterrenberg. ’t Is kenschetsend voor de toestanden dat Sterrenberg tegelijk commandeur was van Java’s  Noord-Oost-kust, en later verbannen werd naar Macassar, omdat hij met den Gouverneur-Generaal van gevoelen verschilde over de al of niet toelating van de Chineezen of het Gele Gevaar in de koloniën. Willem Liedel verwierf in 13 jaar een groot fortuin, niet altijd zonder kleerscheuren; maar heel kleinzeerig waren onze ouderwetsche kooplui niet. Hij vestigde zich eerst in Rotterdam op de Leuvehaven en leefde er goed van. Liedel had altijd aanleg gehad, om zichzelf in de hoogte te steken en toen hij in 1750 ontdekt had dat hij door de zuster van zijn grootmoeder, zekere Catharina Kramp in de “permutasie” was van den Heer van Well, Graaf Max de Pas de Feuquières, schreef hij dezen o.a. het navolgende: ”Soo het zijn hoogedelgeboren behaegen mogt Holland eens te koomen sien, “ gelieve UwelEdele mij de eer aan te doen, bij mij te komen loseeren, mogelyk sulje wel begerig wesen, wat mijn professie is, en daar op dient in ’t kort, ik niets bij de hand hebbe, en eenelijk van mijn rente leeve, met twee dienstmeijssies en een laquij, ongehuwt”.


Dat Willem Liedel toen zonder professie was, was eigenlijk een beetje pocherij; niet dat hij ’t noodig had, maar om de liefhebberij en aangeboren schacherzucht, dreef hij nog wel degelijk zaken op Antwerpen en Brussel. De Graaf de Pas nu, een afstammeling van een aloude familie uit Artois, schijnt op het beleefde aanzoek ingegaan te zijn, want na dien tijd treffen wij Liedel in briefwisseling en soms verblijvende op Well. Den Graaf de Pas was de kennismaking met den rijken oudgast en aangetrouwden achterneef niet ongewenscht, want Graaf Max had altijd moeten vechten en strijden om een beetje levensgeluk. Hij had zware processen moeten voeren met zijn oom, gouverneur van Monçon, over de wettigheid zijner geboorte en om allerlei andere beweegredenen, had ook processen met den president van het Venlosche Hof, van Aefferden, en was daardoor in groote schulden geraakt. Willem Liedel schijnt hem af en toe geholpen te hebben en het is niet te verwonderen, dat Liedel zich na den dood van Graaf Max en zijne gemalin, eigenaar zag der Heerlijkheid. De omgang met graven en baronnen schijnt vóór dien tijd al aanstekelijk gewerkt te hebben op den zoon van Geurgen Liedel. Althans had hij zich in 1764  te Frankfort den titel gekocht van “Chevalier du Saint Empire” en kwam hij op een goeden dag in Rotterdam terug als “Chevalier Guillaume de Liedel”.


Het oude zegel met de drie klaverblaadjes en den eikel, kwam onder toezicht van een loopenden leeuw, terwijl, nadat Liedel heer van Well geworden was, het wapen der heerlijkheid, een gouden staande pijl op azuren veld , als hartschild opgenomen werd.


Baron scheen de Liedel zich nog niet te durven noemen, alhoewel de heerlijkheid vanaf de XIIIe eeuw eene vrije onafhankelijke genoemd kon worden.


Overigens drukte de Liedel  trouw de voetstappen zijner voorgangers in de regeering van het landje. Hij reed in een karos met vier paarden met lakeien en palfreniers, legde bezoeken af bij de adellijke buren en werd, toen hij als 58- jarige in 1772 te Antwerpen huwde met de zevenendertig jaar jongere Theresia Josepha Maria Coget, dochter van den Schepen der koopmansstad, later behoorlijk met klokgelui, eerebogen, toespraken, bruidjes, mortiergebulder en gezang ingehuldigd en ingehaald. Hij stierf in 1777, zijn vrouw in 1789, nalatende een zoon Pieter.

 
Pieter de Liedel, Willems zoon, hinderde het steeds, dat hij den barontitel, dien hij voortaan voerde, ontleende aan zijn heerlijkheid en hij gaf zich alle moeite een echten titel te veroveren. De Napoleontische gloriezon, die vanuit Parijs straalde, moest ook hem verlichten. Hij wilde een majoraat stichten en rekwestreerde er  dapper op los. Hij werd ook Baron van l ’Empire en kamerheer. Hij had er het geld voor. Toen Napoleon naar St. Helena gevoerd was, zijne getrouwen verspreid of gesneuveld waren, de veroverde landen weder hun eigen vorsten teruggekregen hadden, kwam Limburg en Well onder den scepter van den Souvereinen Vorst Willem I. De Hooge Raad van Adel dreigde toen den zoo langzaam en zorgvuldig opgebouwden glorietempel der De Liedel weer omver te halen, doordat hij overlegging der  adellijke kwartieren der De Liedels en de bewijzen van adeldom vroeg. Het “Baron de l‘Empire” bood geen genoegzamen grond om De Liedel tusschen de adellijken Nederlanders een plaats te doen vinden. Maar het schijnt dat er ook toen “ des accomodations avec le ciel” bestonden, want de Liedel kreeg behoorlijk zijn baronale titel en naast zijn wapen als schildhouders twee robuste  wildemannen, die het voortaan voor alle aanvallen van buiten hadden te bewaren. Zoo was de kleinzoon van het Pruisische ambtenaartje Nederlandse baron geworden.


De Liedels waren in hun omgang wel hoog, maar zeer beleefd en bijzonder vrijgevig. Zij leefden op een geheel anderen voet dan het hen omringende volk. Zij correspondeerden naar de zede dier tijden in ’t Fransch en was dit al niet de gewone taal van den eersten Liedel, wien het “Malajoe” korter bij lag dan het Gallisch, zijne gemalin, de jeugdige Antwerpsche, kende beter de klappen van de zweep en schreef met al de hoffelijke zinwendingen en franjes eener markiezin.


In hunne huishouding heerschte een soort etikette, die door al hunne onderhoorigen in acht moest genomen worden. Precies was afgebakend, wat ieder te doen had.


In de kerk hadden de De Liedels hun eigen bank, vóór die hunner bedienden; de altaardwalen prijkten, als door hen geschonken, met hun wapen; de dienstdoende priester las des Zondags vóór de preek de namen van de gestorvenen der familie af en beval ze als stichters van memoriën in de gebeden der gemeente aan. Jacht, visserij en veer konden ze hun eigen noemen.


Hunne maaltijden werden aangekondigd door het gebengel van het burchtklokje. Wanneer des avonds in den winter te zeven, in den zomer te acht uur de groote, met dikke ijzeren kopnagels geslagen toegangspoort, knarsende op haar zware hengsels, dichtgedraaid werd, zaten Heer en familie met bediendenpersoneel tusschen de breede grachten als op een eiland, afgesloten van de werkende en zwoegende buitenwereld.


Dan hoorde men vaak in de denneboomen op den wal de tortelduif kirren en in het kreupelhout den nachtegaal slaan, als de toppen der lindeboomen door de laatste stralen nog verguld werden en de vele vensters van het oude slot gloeiden van oranje lichtschijnselen. In het kasteel ging men dan na het avondgebed vroegtijdig ter ruste om telken morgen aan een dag te beginnen, die in gewone gevallen volgens “oude costuijmen en gewoonten ten huyse Well” ingedeeld was…”