St. Barbarakapel van het Kasteel. (Sinter Berber) Well

Deze kapel werd gebouwd door Graaf Maximilian Henry de Pas de Feuquières *1669 †10-10-1725 ter nagedachtenis aan zijn overleden echtgenote Amalia Catharina Boermans * Well 10-03-1669 en die op 05-05-1709 in Alpen (Niederrhein) was overleden.

Amalia was de dochter van Anna Maria von Höllingh *ca.1640 †1716 en van rentmeester / scholtis Johannes Hubertus Boermans *16-09-1636 †1711 in Venlo. Hij was onder meer schout in Blerick, Well en Bergen, en tevens hofmeester op het kasteel Well, toentertijd in bezit van de familie Van Limburg Stirum. Dankzij deze functies verkeerde hij in hogere kringen.  

De jonge Max en Amalia waren smoorverliefd, maar Jan Boermans wilde niets van een romance weten tussen zijn dochter en haar vriend. Ook de moeder van Max die een hooghartige vrouw was en vol van adeltrots was heftig tegen deze relatie en een huwelijk. Op 13-10-1700 bekrachtigde het verliefde stel hun heimelijke verloving in de Mariakerk te Kevelaer door met hun bloed een brief te ondertekenen, waarin zij beloofden dat slechts de dood hen zou kunnen scheiden. Max wierp alle standsverschillen overboord. In het geheim trouwde pastoor Marburg op zondag 06-03-1701 in de Citadelkerk te Munster  Max en zijn geliefde Amalia. Ze waren toen beide 32 jaar.

Voor het jonge paar waren geen gelukkige jaren weggelegd. Max werd vervloekt en onterfd door zijn moeder en vrijwel van alle geld beroofd zwierf hij met Amalia rond te Düsseldorf, Annadael bij Posterholt, Rheinberg en op andere plaatsen. Op 12-03-1908 kreeg Amalia haar tweede kind: Antoon Max de Pas de Feuquières. Haar eerste zoontje was op 14-06-1705 gedoopt in Rheinberg en niet lang daarna gestorven.

Het schijnt dat de liefde van haar man niet bestand was tegen de armoede; de graaf keerde kort na de geboorte van hun tweede kind terug naar Well en Amalia de Pas de Feuquières - Boermans, verwaarloosd door haar eens zo vurige liefde, sleet de laatste dertien maanden van haar leven, ziekelijk en verpauperd in het dorpje Alpen bij Xanten ca. 42 km van Well. Ze stierf er op 05-05-1709 en is ook daar plechtig begraven in het hoogkoor van de kerk, haar graf werd gedekt met een mooie grafsteen. Nooit heeft zij als gravin op kasteel Well gewoond. Haar portret heeft tot de grote kasteelverkoop van 1905 in het kasteel gehangen. 

Voor baby Antoon Max was geen plaats op kasteel Well in 1709. De jonge graaf werd opgevoed door zijn tantes Sibilla en Ursula Boermans in de Gasthuisstraat te Venlo. Er ontbrandde een langdurig juridisch gevecht over de wettigheid van het huwelijk van Max en Amalia. Max de Pas had zich er toe laten verleiden om de wettigheid van het huwelijk, en daarmee van zijn zoon te ontkennen. De zussen van Amalia Catharina vochten de onterving, door de gravin van Limburg Stirum, van hun zwager en diens zoon Antoon Max aan. In 1722 ging een van hen (Maria Ursula) met Antoon Max in haar kielzog zelfs een rechtstreekse confrontatie met de vader aan. In aanwezigheid van getuigen vroeg ze hem of hij wist wie het kind was dat zij bij zich had.  Toen erkende  Max de Pas de Feuquières dat Antoon Max zijn wettig kind was.

Uiteindelijk haalden de zusters van Amalia hun gelijk: in 1727 verklaarde het Hof van Gelre het testament van Juliana Petronella ongeldig en gaf Antoon Max – inmiddels negentien jaar oud – toestemming om van Venlo naar kasteel Well te verhuizen. De nog levende gezusters Boerman (Maria Magdalena en Sibilla Elisabeth) woonden tot zijn huwelijk in 1733 bij hem in het kasteel. Daarna keerden zij terug naar de Gasthuisstraat in Venlo.


 

 

Vergane glorie achter het kasteel.

Meer dan twee eeuwen bleef deze fraaie kapel behouden. Vroeger dienst gedaan als huiskapel voor de slotbewoners en werd ook door hen onderhouden. Het Sinter Berberfeest werd ieder jaar op haar naamdag, 4 december gevierd.

Na de grote verkoop van het kasteel in 1905 met de eigendommen aan de Maatschappij Well en daarna aan Dr. Richard Wolters ging alles gewoon verder.
Want hoewel Dr. Wolters tot de Evangelisch Lutherse Kerkgemeenschap behoorde had hij een open oog voor de R.K. tradities en gebruiken. Alleen werd er géén mis gelezen. Het Barbarakapelletje, waar vele jaren water en wind vrij spel hadden gehad, liet hij na uitleg van de betekenis, met meubels en beelden grondig opknappen.


 

De zuidgracht van het kasteel met trekpontje en in de verte de St. Barbarakapel.


 

Sint Barbara herinneringen door Wellenaar Gerard Peters, destijds burgemeester van de gemeente Bergen.

"Sinter Berber"! Als ik een romanschrijver was, zou ik den lezer tot in kleinigheden kunnen doen mede genieten van de „zielsaandoeningen" en „zoete herinneringen", die dit woord in ieder Wellsch gemoed doet opwellen. Er zal een tijd komen dat de ouderen aan de kinderen zullen vertellen van “Sinter Berber", van een feest, dat de kleinen niet mee vierden, van eene echte volks-, of zoo ge wilt, dorpsheilige, waarvan zij de kapel dan misschien nog in ruïne zullen aanschouwen. En wat zullen de vrome, zorgzame moeders het op deze „vertelsels" zoo verzot kinderkoor wel vertellen? Och, veel van wat ze hebben meegeleefd en meegevoeld, veel wellicht ook wat de “zoete herinnering" zoo gaarne als een sage om de werkelijkheid hult. En zij zelver en de kleinen zullen dit veel, veel interessanter vinden. De uitvinding der draadlooze telegrafie en den Balkanoorlog. Of 't dan die belangstelling verdient? Ja, er is wel een Wellsche jongen, die den vierden december niet als een heel bijzonderen dag kende, en waarlijk niet omdat hij een paar dagen voor Sinter Klaas valt. Maar hij heeft opgehouden een merkwaardige dag te zijn. En nu weer een hoofdstuk onzer dorpsgeschiedenis is afgesloten, schrijf ik uit piëteit deze regelen. 

Buiten de breede grachten aan de achterzijde van het kasteel en hierbij behoorend, ligt de Sint Barbara kapel, een tijdloos gebouwtje uit het midden der 18e eeuw. In den jare 1882, na een onderbreking van 15 jaren, werd door den vromen en ijverigen pastoor Andreas van Soest z.g. opnieuw het verlof verkregen jaarlijksch op den feestdag der H. Barbara in deze kapel het H. Misoffer op te dragen. Dit geschiedde onafgebroken tot het jaar 1904. Het was hartverheffend hoe de menschen eene innige devotie toonden voor de Heilige. Niets weerhield hen op dezen dag de H. Mis in de kapel van het kasteel bij te wonen. Of de regen neerstroomde, de stormen door de hooge linden loeiden, de winterkoude vinnig over de beemden streek, dan wel, gelijk ook gebeurde, de kapel wegens „hoog water" slechts over een geïmproviseerde brug of per roeiboot te bereiken was, nooit kon de kapel de devote menigte bevatten. Wie maar eenigzins kon, moest naar de mis van Sinter Berber. 't Is er ook een romantisch plekje op den koop toe. Van het dorp is er weinig zichtbaar; op grootere afstanden verspreide boerderijen; aan de overzijde der gracht de prachtige ruïne van den „meulentoren" tusschen de buitengewoon slanke lindebomen en het struikgewas der wallen door ziet ge den verweerden gevel van het oude slot. Ik heb wel eens gedacht aan een godsdienstoefening ten tijde der lumineuze plakkaten. De bezitters van het „Huis Well" wenschten dien dag ook als een feestdag te beschouwen; de Heeren Geestelijken van Well en Wellerlooi waren er dan te gast.

Zoodra des morgens het kleine klokje werd geluid, (ik kan niet van mij verkrijgen van een „zilveren .stemmetje" te spreken, want 't ding had een afschuwelijken toon) kwam er leven op den Kasteelschen Dijk. „Tusschen licht en donker" is 't druk in de laan; floot de ijzige noordenwind van den Molenberg, dan ging het wel eens op een drafje; was 't nat dan scheen het een wedstrijd in bedachtzaamheid, want van een matineus modderbad was niemand gediend. Wij misdienaars togen natuurlijk in alle vroegte naar het kasteel om het noodige orde te brengen. Er ging een lichte huivering over ons, als we voor den eersten keer dit oude, imposante ridderslot betraden. Vader en moeder hadden ons immers zooveel verteld van die duistere gangen en diepe kelders, verscholen kasematten en ik weet al niet wat narigheden, we wisten het wel: daar in dien dikken toren op de binnenplaats was de gevangenis; er lag nog een zware ketting aan een blok in den vloer! 

Maar 't gemoed luchtte gauw op: als we na de koffie ons eerlijk verdiend dubbeltje opstreken, was ons folterkamer en kasemat onverschillig. Ook mijnheer pastoor nam gewoonlijk den korteren weg over de wallen van het kasteel; aan den voet van de vermaarde toren ruïne wachtte de gelegenheidsschipper om ons over de breede gracht te boomen. 't Gebeurde ook wel eens dat de wintervorst voor onbelemmerde overtocht had gezorgd. De H. Dienst geëindigd kwam spoedig weer de wintereenzaamheid over het liefelijke landschap en als beschut door een tempelwacht van woudreuzen bleef „Sinter Berber" omringd door machtige lindenboomen verlaten wachten tot het volgende jaar….. Tot het gebeurde, dat ze tevergeefsch wachtte .... 

Een bedevaart. 
4 December 1912 een somber grijze herfstdag, een der duistere dagen voor Kerstmis, weldoende kalmte overal. 't Is een wellust zich ver te voelen van alle onhebbelijkheden der moderne cultuur: geen electrische tram, geen asfaltbestrating, geen uitzicht benemende reuzensigarenkisten, waarin waarachtig nog menschen wonen. Veld en weiden geheel verlaten, geen levend wezen zoo ver de oogen reiken, zelfs de „Kasteelschen Dijk" eenzaam. Mijn gedachten gingen nog eens naar het kapelletje Zou ik er zelf niet eens heengaan? Misschien is er vandaag nog niemand geweest. En moet „Sinter Berber" dan maar vergeten blijven? Door het Olmenboschje langs de zuidzijde van den kasteelschen gaarde, waar vroeger een voetpad liep, ging mijn weg. Het lag zoo weinig in mijn bedoeling mij te ergeren, dat ik niet eens zag, hoe de luiken van de Oranjerie tegen den.muur hingen als het oor aan den kop van Malchus, toen Petrus hem er even met het zwaard had langs gekitteld: dat ik zelfs niet opmerkte hoe het heldere water der breede sloot welhaast onzichtbaar was door het hoog opgeschoten onkruid.  Om den hoek, een paar honderd passen in de laan, daar stond nog de kapel. Natuurlijk! zal de lezer zeggen; och neen, niet zoo natuurlijk, maar daarover zij liever gezwegen. De deur gesloten; ja, dat was natuurlijk. Maar een tralievenster gunt ons tenminste een blik naar binnen. Het groote, oude welbekende beeld der H.Barbara staat nog in het altaar. Iedereen ziet wel, dat het niet werd geboetseerd door de meesterhand, die den geweldigen „Mozes" beitelde, maar 't is toch minstens evenveel kunst, als de producten onzer nieuwerwetsche bakkerijen van „bondieuseries". Sancta Barbara O. P. N. Nog eens even rondgekeken. Twee oude bidstoelen en een kniebankje staan er nog; niemand knielt er op. Naast het beeld nog een paar kaarsen, die niet meer worden aangestoken.  En op het altaar — zes champagneglazen, als noodhulp bloemenvaasjes waarschijnlijk.

 Ik had nog een boodschap; langs een omweg over het „Broek" en door het „Sterrenbosch" ging ik….. om niemand te ontmoeten. 

Gerard Peters. Well, Sint Barbara 1912.


Toen kwam de Tweede Wereldoorlog met zijn verwoestingen. Ook de Barbarakapel werd beschadigd, maar na de bevrijding werd de schade in 1947 hersteld.

In aanwezigheid van vele verzetsmensen van de L.O. / L.K.P. (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers - Landelijke Knok Ploegen) uit Limburg werd op donderdag 14 augustus 1947 hier het Maria beeld "Onze Lieve Vrouw van den Goede Duik" geïnstalleerd en gezegend door pastoor M. Reiné uit Well.

 

 

In tal van woningen in Limburg en in veel schuilplaatsen van onderduikers hing in de bezettingstijd een plaat aan de wand van Onze Lieve Vrouw die onder haar mantel een knielend soldaat en een jongeman in burgerkleren beschermt.

Als ze in nood raakten baden onze Limburgse onderduikers tot hun eigen speciale beschermheilige, Onze Lieve Vrouwe van de Goede Duik.


Vanaf 4 december 1947 werd Sinter Berber weer een aantal jaren gevierd op het kasteel.

Jan Daemen schreef: Well, 5 dec. ’47. Het kleine kapelletje van St. Barbara was donderdag te klein voor de belangstellenden. De herinzegening werd zelfs buiten door een grote groep mensen gevolgd. De Mis werd opgedragen door Pastoor Reiné geassisteerd door de kapelaan Lebens en de rector Jungblut van het klooster. Voor de muzikale opluistering van de dienst hadden de leden van het kerkkoor op het doksaal plaatsgenomen.
Het altaar was rijkelijk versierd en het oude beeld van St. Barbara had de plaats ingenomen waar het reeds eeuwen had gestaan.Vooral de oudere mensen van Well, die nog herinneringen hadden aan de tijd dat er hier regelmatig een H. Mis werd opgedragen, waren zeer verheugd over de terugkeer van deze oude traditie, die sedert 1904 was afgebroken.
Dank zij de inzet van kerkelijke en wereldlijke autoriteiten van ons dorp  zal de traditie nu met zorg bewaard blijven.
Na de plechtigheid werd de relikwie van St. Barbara wier feestdag we 4 dec. vierden, vereerd. 

De kapel, verscholen tussen de hoge bomen was nu weer een levende devotieplaats, waar bij ziekte of stervensgevaar dikwijls werd gebeden tot Barbara, de patrones van een zalige dood.
Het Dagblad schreef toen: "We twijfelen er niet aan dat dit gebruik in de nabije toekomst met zorg bewaard zal blijven." 

Na deze periode werd het toezicht op deze historisch kapel echter verwaarloosd en het gebouw kwam in verval. Het kasteel was destijds eigendom van de Stichting Santa Maria (bisdom Roermond) en werd gebruikt als opleidingscentrum en om er cursussen te geven. Door baldadigheid werden de ramen en muren steeds meer vernield, zodat er uiteindelijk in de loop van de jaren '60 niets meer van over is gebleven.

De Wellse vrijwilligers Pierre Linssen en André Sijberts stellen sinds begin 2013 alles in het werk om de St. Barbarakapel weer op te bouwen. Regelmatig hebben ze hierover contact met het Emerson College.


 

Deze en onderstaande twee foto's zijn uit 1928 en werden gemaakt in opdracht van de Rijksdienst voor Monumentenzorg.

De kapel was gebouwd van baksteen, 3,50 m. breed en 6 m. diep. Het topgeveltje had gezwenkte zijkanten en men trad binnen door een rechthoekig deurtje in de voorgevel, waar ook 2 venstertjes in zaten. Aan weerszijden bevond zich nog een rondboogvenster. Op het leien dakje van de Barbarakapel stond een zeszijdig open helm- en knobbelspitsje.

Beschrijving door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed :

St. Barbarakapel. Buiten de omgrachting gelegen gebouwtje met driezijdige sluiting en barokke façade met gezwenkte afdekstukken en uitspringende omlijstingen,dakruitertje met koepelvormig dak. Inwendig een galerij met balusterleuning, uitgezaagde en beschilderde altaarretabel.

Beeldje van de H. Barbara. Sacramentskroontje tussen voluten en engelfiguren, circa 1700. Klokkenstoel met klok van anonieme gieter, 1710. Mechanisch smeedijzeren torenuurwerk uit circa 1632. 


 

An Kessels woonde met haar ouders op de hoek Kasteellaan - Hoenderstraat, in het pand waar eerder burgemeester Gerard Peters woonde.

 

Als zij de weg overstak liep er een pad naast de kleine gracht richting de Barbarakapel. In de zomer van 1933 werden deze foto's gemaakt door haar vader Piet Kessels. Dit is de enigste foto van de kapel waarop het torentje duidelijk te zien is. 

Het water in de kasteelgracht staat hier hoger dan normaal.


 

Genietend van zon en schaduw onder de lindenbomen voor de Barbarakapel. Rechts zit Mien Arts, een vriendin van An Kessels (met hond). De dame links is onbekend.


 

Op de achtergrond staat de St. Barbarakapel in de jaren'50.


 

Resten van de St. Barbarakapel.


 

Foto's: MaTiKo, in 2014.