De gang onder de Maas

In lang vervlogen tijden woonde op het kasteel van Well ’n goed en dapper ridder, heer Rudolf, die hoog in aanzien stond in zijn land aan weerszijden van de Maas. Zijn jong gestorven vrouw had hem een tweeling geschonken: twee meisjes, die opgroeiden tot wonderschone jonkvrouwen, rijk begaafd naar hart en geest. Zij leken zo sprekend op elkaar, dat wie niet dagelijks met hen omging Clotildis, de eerstgeborene, niet kon onderscheiden van haar zus Mechtildis. 

Ridder Rudolf kon nauwelijks afstand van zijn geliefde dochters doen, toen zij op huwbare leeftijd gekomen waren. Met pijn in het hart gaf hij Clotildis toestemming om te trouwen met de rijzige en krijgshaftige Wilhart die de meeste vreugde beleefde aan oorlog en strijd, en Mechtildis om de gemalin te worden van de rijk begaafde heer Arnold van Geijsteren. Maar eerst moesten beide schoonzoons zweren, dat zij altijd in vrede met elkaar zouden leven. ”En de duivel moge mij of mijn nageslacht halen, als ik deze gelofte breek”, zo voegden beiden er aan toe.
Van zijn dochters eiste Ridder Rudolf, dat zij elkaar steeds zouden blijven liefhebben en iedere dag enige tijd in elkaars gezelschap zouden doorbrengen. Dat beloofden zij.
 
Maar aangezien de beide dochters nu ieder aan een andere kant van de Maas gingen wonen, leek het wel erg veel geëist, dagelijks de tocht over de wispelturige rivier met zijn gevaarlijke stromingen en kolken te ondernemen. Heer Rudolf was echter een machtig en rijk ridder. Hij liet uit verre streken een vermaard bouwmeester komen, om in de zomerdag, toen de Maas laag of droog stond, ’n gang te bouwen onder de rivier door, van het kasteel van Well naar het kasteel van Geijsteren. Toen het bouwwerk voltooid was, was ieder vol bewondering. Geheel droogvoets kon Clotildis nu, vergezeld van een paar dienaren die flambouwen droegen, naar Geijsteren gaan, en Mechtildis naar Well, zonder gehinderd te worden door de stormwind, door ijsgang of hoog water.
 
 
Jarenlang voelden beide vrouwen zich innig gelukkig met ’t wijze besluit van hun vader, die zelf nog lang getuige mocht zijn van het geluk van zijn kinderen. Clotildis kreeg zelf geen kinderen, maar zij vond haar vreugde in de kinderen van haar tweelingzuster Mechtildis, bij wie ze ook haar troost vond als haar man Wilhart weer eens in verafgelegen streken oorlog voerde.Daardoor kwam hij vaak maandenlang niet thuis.
Nog voordat zij de middelbare leeftijd bereikt had stierf Clotildis.
 
Wilhart bleef niet lang weduwnaar. Hij trouwde spoedig met Guntruud, die echter al gauw hevig jaloers werd op de beeldschone Mechtildis van Geijsteren. De jaloerse Guntruud haalde zich in het hoofd, dat haar man heimelijk misschien meer hield van van de schone Mechtildis, het evenbeeld van zijn eerste vrouw, dan van haar.
Toen verzon de boze Guntruud een snood plan, om Mechtildis uit de weg te ruimen. Bij het naderen van Mechtildis’ naamfeest in de herfst bakte Guntruud een gebak, waar Mechtildis verzot op was. Maar Guntruud mengde een dodelijk vergif in het deeg. Het was een stormachtige dag, toen zij het gebak naar Geijsteren ging brengen. Het hoge water van de Maas kolkte en bruiste.  Maar de onderaardse gang bood een veilige overtocht naar Geijsteren.
Vergezeld van een grote groep dienaren met flambouwen en lampen, begonnen Guntruud en haar man de lange voettocht door de onderaardse gang. De boosaardige Guntruud had haar al even boosaardige man moeten inwijden in haar duivelse plan. Anders zou deze wellicht van haar gebak gegeten hebben. Zij hadden geen hinder van het noodweer dat boven hun hoofd woedde, toen zij door de tunnel liepen. Zij hoorden de storm niet tekeer gaan, het gehuil van de wind drong niet tot hen door, en zij zagen de Maas niet woest kolken en schuimen. Ze waren al halverwege de rivier, toen de gang openbarstte en de woeste Maas bulderend en bruisend naar binnen kolkte. Onder bliksem en donder spoelde heel de gang weg, en samen ook Guntruud en Wilhart met hun hele gezelschap. De duivel had hen gehaald en het kasteel van Well had geen heer en geen kasteelvrouwe meer.
En vandaag de dag wijzen de mensen van Well in de oude toren op de wal nog de resten aan van wat eens een onderaardse gang naar Geysteren was.

Toegang tot de gang onder de Maas......

 

 

 

 

 

 

 

 

(bron : WELL en wee, door Th. W. J. Driessen)   Foto's: © MaTiKo