De Heks van Well

 


Tussen 't uur van twaalf en één-
zegt het spreekwoord- zijn de
heksen en de spoken op de been.
Zo was het, 't is al lang geleën,
dat in zekere Wellse weide
op De Kamp, zo men mij zeide,
ene heks steeds was te been:
tussen 't uur van twaalf en één.

 

Als de middernachtmaan scheen,
was de wei vol paardgetrappel,
en de schrik schier algemeen:
Niemand waagde zich te been.
Paarden, die men 's avonds leidde
naar die Kampse heksenweide,
wierden 's nachts in schuim bereën
tussen 't uur van twaalf en één.

 

"Steeds mijn paarden afgereën",
denkt de knecht," ik wil dat raadsel
toch eens lossen." Kloek te been,
moed in 't harte, snelt hij heen:
Kwart voor twaalven, hoort dit kluchtje,
sloop hij zonder één geruchtje,
in de wei, waar 't spook zou treën,
tussen 't uur van twaalf en één.

 

En 't uur van twaalf verscheen,
't sloeg - en alom heerste stilte....
Plotseling suisde 't ongemeen
door de lucht, en naar beneën
streek een zeef in 't grasveld neder,
met een heks. Vlug als een veder
zet zij zich te paard meteen
tussen 't uur van twaalf en één.

 

Dan, de knecht met rasse schreën
spoedt zich naar heur vlieger henen.
Nam de zeef en sloop stil heen,
wachtend tot de heks verscheen.
"Och," begon zij lief en teder,
"Vriend geef mij mijn zeef toch weder.
Want mijn tijd snelt spoedig heen met het uur van twaalf en één."

 

Ietwat is het nog voor één.
Had zij nu de zeef maar weder!
want verstaat, zo op de been
zonder zeef! dat gaat niet. Neen!
Smekend kruipt zij voor zijn voeten,
schreiend bidt zij: " Laat mij boeten
voor mijn misdaad, laat mij heen,
'k zal deez wei niet meer betreën.

 

Vriend, mijn uur, mijn tijd is heen,
'k ben boerin uit verre streken:
O mijn vriend! versta mijn reën,
'k moet nog zorgen, dat er geen
nooddruft faalt bij onze booien,
want het is de tijd van hooien.
Laat mij langer niet alleen
zonder zeef, mijn tijd is heen!"

 

Klokslag meldt het uur van één.....
daar lag zij geknield ter neder.
Dan de knecht, geen hart van steen,
sprak: "Mij treft Uw droef geween:
Wit gij weer de zeef begeren,
dan zult gij mij hier bezweren,
nimmer in dit oord te treën,
noch vóór twaalven, noch voor één.

 

Noch vóór twaalven, noch voor één,
zult gij hier ooit dieren kwellen,
of mijn gramschap volgt uw schreën,
waar gij ook ooit moget treën,
Daar de zeef nu....Zult gij zweren,
nimmer hier te wederkeren?"
'k Zweer, zo sprak zij- en verdween.
En de knecht was weer alleen.

 

Tussen 't uur van twaalf en één,
zegt het spreekwoord, zijn de heksen
en de spoken op de been:
Maar geen enk'le heks verscheen
meer in deze Kampse weide
sinds de knecht ze er uit geleidde,
En de wei ligt gans alleen, tussen het uur van twaalf en één.