De mare betrapt

 

Wanneer de paarden 's morgens hijgend en bezweet als na een lange rit met dooreengevlochten manen op de stal staan, weet dan dat de mare* hen die nacht bereden heeft.

Op de Kamp, in een weide, werden de paarden elken nacht tusschen twaalf en een zoo afgereden, dat het schuim hen in den bek stond. Dan klonk er voordurend paardengetrappel over het weiland.

Een knecht van den boer, waaraan de weide toebehoorde, wilde er meer van weten en hij verborg zich op zekeren nacht. Zoodra het twaalf uur sloeg, streek uit de lucht een zeef neer met een vrouw er in. Dadelijk sprong zij er uit en begon de paarden te berijden.

Onderwijl sloop de knecht stilletjes naderbij en nam de zeef weg. Toen het tegen éénen liep, hield de mare op met rijden. Maar nu miste ze haar zeef. Ze kwam van ver en te voet kon ze niet weg. Al spoedig had zij den knecht ontdekt en smeekte hem haar zeef terug te geven. Daar wilde hij eerst niet van hooren, maar toen zij beloofde van nu af aan de paarden met rust te laten, liet hij zich verbidden en de mare vloog in haar zeef weg.

*Mare is een nachtelijke kwelgeest, spook of heks.

De originele tekst van dit verhaal is een gedicht en staat hier 

 

 

 

Onrechtvaardig vonnis en Godsoordeel.

Op den heuvel te Well, waar de Galgentoren staat, is een put, die niet gedempt kan worden, sinds op die plek een onschuldige is gehangen.

 

 

Luchtgeest. 

Een slechte baron, vertoont zich in de laan, die van het Kasteel van Well naar den molen leidt.

 

 

De Roofridders van de Stalberg.

De heele loop van de Maas te Well werd door het slot de Stalberg op den heuvel van dien naam beheerscht, en daarom hadden de roofridders die er woonden makkelijk spel.

Niet alleen de schepen, die de rivier bevoeren, ook de wagens, die den landweg volgden, werden vaak door de heeren van Stalbergen aangevallen, die zich veilig voelden in hun hechte sterkte.

De roofridders hadden hun paarden averechts laten beslaan, zoodat de indrukken der hoefijzers in den mullen grond nimmer het goede spoor aangaven. Men kon menen dat de heeren afwezig waren, terwijl zij juist in hun toren op den loer lagen en omgekeerd waren zij op rooftocht, als men dacht dat ze juist hun slot waren binnengereden.

De gevangenen die ze maakten sloten ze op in den toren of in een onderaardsch hol en lieten ze slechts tegen een zware losprijs vrij.

Eindelijk maakten machtige vorsten een einde aan hun rooverijen, doodden de heeren en maakten het slot met de grond gelijk.

Bron: Limburgs sagenboek.  Foto's: © MaTiKo