De waterman

 
  
 
 
 
Honderden jaren geleden stroopten woeste roversbenden het land af. Moordend, stelend en soms ook brandstichtend trokken ze overal rond. Maar in Well woonde in die dagen gelukkig een buitengewoon dapper en edel ridder, die zijn heerlijkheid met grote moed beschermde. Hij zorgde er voor dat in alle buurtschappen jonge gildebroeders de wacht hielden. Voortdurend zag men de ridder op zijn paard overal rondrijden, spiedend naar naderend onheil. Alvorens tenslotte, rond het middernachtelijk uur, terug te rijden naar het kasteel, inspecteerde hij eerst nog de kom van het dorp.
 

Eenmaal had hij al een troep rovers gevangen genomen en hen laten opknopen. Maar de roverhoofdman had weten te ontsnappen. Deze schelm had ontdekt, dat de heer van well iedere avond tegen het middernachtelijk uur op zijn fiere schimmel van het dorp naar het kasteel reed. De bandiet spande een koord over de weg, hij bevestigde het aan de bomen van de laan. En gewapend met een sabel en een grote mesthaak ging hij in hinderlaag liggen langs de weg bij de gracht.

Daar kwam de kasteelheer op zijn schimmel door de duisternis aandraven. Hij zag het koord niet en het paard struikelde en tuimelde over de weg. Maar behendig sprong de ridder van zijn vallend paard, greep de booswicht vast, sloeg hem diens eigen mesthaak in het lijf en smeet hem in de gracht, waar de roverhoofdman verdronk toen het twaalf uur sloeg....

De mare van het onverschrokken optreden van de dappere heer van Well verspreidde zich door het hele land en geen rover die het nog waagde zich in de Wellse heerlijkheid te vertonen.

 

 

 

Oude mensen in Well verhalen, dat de rover met zijn mesthaak voor straf voor altijd in de grachten van het kasteel moet blijven zitten. En dat hij kleine kinderen, die dicht bij de gracht komen aan de haak slaat en het water insleurt.

(bron : WELL en wee, door Th. W. J. Driessen)  Foto's: © MaTiKo