Zoek

Het spook van Well

Het spook van Well

Het spook te Well.

Wat ik u vertel
Is van Pieternel
uit Well,
die mij dikwijls heeft gezeid,
hoe er in de laan, die van 't kasteel naar den molen leidt,
een spook ging waren,
dat haar, (namelijk Pieternel
uit Well,
die ik zoo zal noemen
om den naam te verbloemen),
dat haar menige jaren,
telken nacht 
heel onverwacht,
tusschen de ure van twaalf en één
in den omtrek van 't kasteel verscheen!
‘Ja, mijnheer,
op mijn eer,
(Pieternel is aan het woord,)
of het spook, dat ik zag tot het menschdom behoort,
 dit ga ik u verklaren;
 luister wel:
 Pieternel,
 die, om een stuk brood te verdienen
 nog op hooge jaren,
 den boer moest gaan dienen,
 kwam altijd te middernacht de laan te passeeren;
 en menige keeren,
 dat ik er niet aan dacht,
 zag ik onverwacht
 een heer promeneeren
 over 't pad,
 dat
 van 't Broekveld de laan opleidt,
 en, die onder ons gezeid,
 er uit zag als een duivel met twee vurige oogen.
 In den beginne dacht ik,
 die van schrik
 als een blad door de laan was gevlogen,
 Pieternel heeft zich zeker bedrogen;
 maar, mijnheer,
 toen ik weer
 den komenden nacht de laan kwam te betreên,
 was het spook weer te been,
 en meteen
 neem ik het op
 van top
 tot teen;
 en ik zag, dat het een heer was, die even als wij op twee been
 marcheerde;
 maar wat hij begeerde
 werd ik niet wijs uit
 zijn aaklig geluid;
 ik hoorde hem zuchten en stenen,
 soms snikken dan weenen,
 met kolen van vuur in het hoofd,
 die, eens verdoofd,
 bij den een of den anderen smid uit de sintels gelezen
 en herrezen
waren tot vuur.
Op dit uur 
weer onverwacht,
dat ik er niet aan dacht,
 neem ik mijn beide beenen
 en op een snellen draf loop ik henen.
 Dat was toen de tweede keer,
 dat ik den heer
 over 't Broekveld zag wandelen heen en weer!
 Maar ik dacht
 neem u in acht;
 dan, bij een volgenden keer
 te middernacht
 zie ik hem weer!
 Gij kunt denken, mijnheer,
 dat mij 't hart in de schoen zonk
 en mijn oud lichaam van schrik tegen een boomstronk
 schier neerviel.
 Bij mijn ziel!
 nu treedt hij mij tegen op den weg,
 (gij kunt gelooven, wat ik zeg)
 en hij wandelde, stil als een muis,
 den weg op naar mijn huis
 door 't loover
 met mij over,
 tot hij gekomen was aan de straat,
 die van 't kasteel naar den ‘Korten Gang’ gaat,
 daar treedt hij af.
 Ik, weer een draf
 genomen,
 kon niet bekomen,
 zelfs toen ik thuis kwam
 en daar vernam,
 dat het de heer van 't kasteel was,
 die op dit nachtelijk uur,
 met oogen als vuur,
 zijnen pas
 richtte over 't Broek door de laan naar den ‘Korten Gang’,
 werd ik zoo bang
 dat ik in langen tijd
 (onder ons gezeid)
 niet meer te middernacht het kasteel dorst passeeren,
 vreezende dat ik den heer met die vurige oogen zou rencontreeren;
 maar enfin, Pieternel,
 als zij heden nog bij den boer het werk heeft afgedaan,
 zal nooit meer de laan
 passeeren zonder een vrij gezel,
 en dan, zal je weten,
 moet ik beven en zweeten,
 en kom ik kort bij die baan,
 dan sidder ik, als ik het spook zie passeeren of voorbij moet gaan.’ -
 Hier zweeg Pieternel
 uit Well,
 maar ik verstond later nog wel
 dat er meer waren dan Pieternel,
 die ook
 het hunne wisten van het spook.
 Daar hebt gij Gradus,
 die weet wel niet veel,
 maar Nadus,
 die meent en houdt vast
 dat de vreemde gast
 goed bij een vroegren baron van 't kasteel past. 

 
1876. Wilhelmus Hubertus Hermans