Zoek

Herinneringen uit mijn jeugd, door Jan Drissen.

Wellenaar Jan Drissen


 

 


 

 


 

Lies Ambrosius en Jan Drissen.


 

Jan Drissen *Well 29-08-1906 †Soest 19-08-1987. 

Zijn vader Jacob was huisschilder en kastelein. Ook Jan werd huisschilder en toen hij werk kreeg in Soest ging hij daar wonen. In 1937 trouwde hij in Soest met  Lies Ambrosius uit Arcen. Hij bleef altijd geïnteresseerd in zijn geboortedorp en kwam er vaak op bezoek.



 

Jan bracht zijn jeugd door op het huidige adres Grotestraat 62 (links naast 'Walaria'), destijds 'Logement - Café - Biljart' Drissen-Ariaens.


 

Op 01-06-1958 vertelde hij zijn herinneringen tijdens de reünie van de oud-Wellenaren in zaal 'Onder de Linden'.
Hier onder staat de gehele tekst. Het Dagblad voor Noord-Limburg publiceerde slechts een gedeelte van wat Drissen schreef.

Dorp en bewoners waren voor 40 jaar anders dan nu, hoe kon het ook anders! Het kon je gebeuren dat je, van Wanssum komende om in Well naar de markt te gaan, van veerman Kessels te horen kreeg dat zijn broer Maan met zijn schip voor Luik lag en daar wachtte op een nieuwe lading voor Grave of Cuyk of dat Toon Koenen je bij het beklimmen van de veerdam een publicatie van de aanstaande hooi- of houtverkoop tussen de jas frommelde, wetende dat de minste beloning voor deze service een borrel of sigaar was. Ook had het kunnen gebeuren, dat je „Hoeberde Jan” was tegengekomen of dat je hem zag staan op de stoep van Notaris Ribbergh, zwaarwichtig kijkend en zorgvuldig zijn jas dichtknopend om er een koopakte in te persen, die hij, met alle verantwoordelijkheid daaraan verbonden, weg moest brengen naar cliënten in Grave, Lottum, ja zelfs naar Luik of Leuven, waar hij een bekende figuur was en vooral in aanzien stond om zijn muzikale inslag en liefhebberij. Op zo’n lange voetreis ontmoette hij dan menig amateurmusicus, die met hem lange gesprekken hield over de moeilijkheden en de gezelligheid die het lidmaatschap van de Dorpsharmonie met zich meebracht. Hij wekte dan met zijn schijnbare kennis van zaken het idee, dat hij een onmisbaar en goed lid van de Dorpsharmonie was, terwijl ingewijden wisten, dat hij op mars alleen maar de grote trom droeg.

Het dorpsbeeld van Well was in die dagen anders, er waren b.v. een paar huizen, die domineerden over al de anderen door drukte van in- en uitlopen, grootte en vooral door naam. Een van deze was Hotel Koppers waar een Sociëteit gevestigd was die in wijde omtrek bekendheid genoot. De dorpsnotabelen hielden hier „Hoge Raad”. En menig reiziger die de nacht doorbracht mocht de gezellige kout rond de kolomkachel meedoen.

Er waren in deze club ook ongeregistreerde leden die, hoewel ze elders woonden, toch een onmisbaar deel van het intieme gezelschap uitmaakten, zoals b.v. Clevers uit Blitterswijck .Jos Clevers manufacturier, die in die dagen in de gehele omgeving de modekoning was, was een zeer geziene figuur in Well en als men ’s morgens op zijn rondwandeling door het dorp of aan de bittertafelvernam dat Clevers “over”was, repte men zich tegen 5 uur naar hotel Koppers om daar zijn ontvangst voor te bereiden door alvast, op zijn rekening, een borreltje te bestellen. Na een gezellig uurtje in het hotel nam een der gedienstige vrienden het paard bij de leidsels en leidde paard en koets, vol geladen met baaien goed en bonte schortenstof naar de veerpont waar het gezelschap zich over liet zetten om bij Taks op de “Kooy” een laatste borrel te drinken op de goede zaken van hun vriend de manufacturier. Wat Clevers was voor de uiterlijke mens was slager Johannes Theeuwen uit Blitterswijck voor de innerlijke, want hij zorgde op hoogtijdagen als Pasen en kermis voor de hartige hapjes en soepbeentjes voor de Wellse burgerij.

De hoogtijdagen als vogelschieten, marktdagen, kermis e.d. waren vol drukte in het Maasdorp. De Schutterij met de onafscheidelijke witte broeken, rode of blauwe sjerpen, was een degelijk gefundeerde vereniging die op ouder roem teerde en zelfs in een lang vergane historie nog wortels had, getuige het oude zilver, dat helaas in de Napoleontische tijd deels is verkocht. De koning van dit gezelschap, middelpunt der vereniging, een zeer omstreden functie, werd ieder jaar door het afschieten van een houten vogel opnieuw aangewezen. De beste schutter werd dan titelhouder en bevelvoerder voor het volgende jaar.

Op zo’n hoogtijdagen was ook de Harmonie present, een vereniging die in 1886 van zang- tot muziekvereniging werd omgezet. Vele notabelen hebben in de loop der jaren het nogal moeilijke bestaan ter harte genomen, zoals Jan Koppers, hotelhouder en wethouder, Arnold Robijns, Piet Kessels, Herman Verheijen en Herman Koppers. De Harmonie had vooral in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog nogal naam bij onze Oosterburen en over en weer werden er concerten uitgewisseld. Zo was men op een mooie zomerse zondag naar Weeze getogen met paard en wagen om de burgers van dit vooruitstrevende grensdorp wat muzikale verpozing te brengen. Alles verliep goed hoewel het Duitse bier pittiger was dan het brouwsel van Herman Koppers, een feit waarmee men te weinig rekening gehouden had. De terugreis was dan ook een volslagen stille pantomime. Alle zonen van Apollo sliepen onder de hoge witte huig van de lange groentewagen van Tinus Simons, een exporteur van groente en vooraanstaand lid van de harmonie. Het paard had zich onder het slapende oog van zijn koetsier uit zijn tuig weten los te werken en zo viel de wagen met een plons voorover op de toppen van de wagenbomen. Alles zou nog niet zo erg zijn geweest, ware het niet dat in een net onder de lange wagen de instrumenten waren geborgen die nu een danige persproef ondergingen.

Zoals ik reeds schreef, leidde de Harmonie nogal een moeilijk bestaan en de secretaris - penningmeester Remmen wist hier jaar op jaar van te getuigen, als hij zijn jaar- en financieel verslag neerschreef op een grijze, opengesneden suiker- of zoutzak, om het dan op de jaarvergadering aan een aandachtig gehoor voor te lezen.

Ook waren er in Well voor 40 of 50 geleden knappe vaklieden, zoals de “koperen” Franssen”,  die zowaar uit koper knappe grafkruisen en opschriften maakte. Ook op het gebied van schoenen had Well naam in de persoon van Grad Ariaens, die zulke perfecte waterdichte schoenen maakte, dat menig schipper een paar dagen in Well overbleef om zich een paar waterdichte te laten maken. De proef op de som moesten deze trappers echter kunnen doorstaan. Want het gebeurde dat een schipper, die ’s morgens zijn vetleren afhaalde, ’s avonds laat pas kwam betalen omdat hij dan de hele dag met beide voeten in het water overboord had gezeten. Zo was er reeds 50 jaar geleden of iets later zo ongeveer alles vertegenwoordigd in Well wat het normale leven van alle dag ook nodig had, zelfs een voetbalclub.

De promotor van deze voetbalclub was een lange blonde jongeman, Piet van der Niet genaamd en van elders gekomen. Hij introduceerde ook in Well de toen nog vrij onbekende voetbalsport. Natuurlijk ging alles zo maar niet van een leien dakje. Men had veel empathie te overwinnen want men was lang niet te spreken over de Wellse jeugd die de dorpsstraat tot voetbalveld had gemaakt. Zo gebeurde het dat een klomp, die een andere weg koos als de voetbal, door een ruit werd geschopt hetgeen bepaald niet tot populariteit van de sport bijdroeg. De grondlegger hield evenwel vol en wist zelfs twee elftallen te formeren. De club beschikte al gauw over een echt voetbalveld, echte goals en tricot, rood-wit gestreept. De lichaamsbouw van de leden was vaak een aanwijzing voor de te spelen partij. Zo was Thei den bril (Koppers) back. Met een speciale opdracht om, als er gevaar dreigde voor eigen doel, met brede borst en forse aanloop alles omver te lopen en zo alle gevaar voor een tegengoal te weren.

Het dorpsleven was gemoedelijk en ongekunsteld en de oude typen of wel dorpsfiguren zorgden op tijd voor de vrolijke noot, die altijd als met een donderslag bij heldere hemel het leven met hun kwinkslagen wisten te doorspekken: zoals het verschijnen van „Kleinen Koon”, die zijn rondwandeling om Well om de vier of vijf weken herhaalde en wars was van ieder medelijden, ieder tartte, die hem vriendelijk tegemoet trad. Ook „Kweeke Grad” nam een aandeel in de zo gezochte luim en de hang naar enige afwisseling. Men kon hem op mooie avonden voor zijn huis zien zitten  met een dik touw om zijn middel om zijn schamele lompen bij elkaar te houden, maar niettemin bereid tot het vertellen van een grapje of bereid tot een praatje. Ook de Maas, aan wie in die dagen nog geen remmen waren opgelegd, in de vorm van stuwen, maar die nog haar eigen gang ging, droeg vaak tot enige afwisseling en kleur in ’t dorpsleven bij. Zo was het hoge water van 1910 een teken aan de wand, dat van 1920 en 1926 stond zelfs met hoofdletters opgetekend. Het was dan ook een sensationele tijd, al was het alleen maar om de gewichtigdoenerij van de z.g. deskundigheid van de bakenmeesters, zoals Robijns, Hagelaar en van Sas, die de Waterstaatszaken nauw ter harte gingen; zij gaven college op straat over de te verwachten stijging en omvang van de overstroming en de waterberichten, die vanuit Maastricht radiografisch werden overgeseind. Ook de veerman vormde in die dagen een middelpunt: zijn lange leren laarzen waren in zo’n periode extra in de reuzel gezet en glommen als een zwarte paling aan zijn benen.

Tien tegen een, dat u in de dagen mijn jeugd ook kennis kon maken met de fotograaf van Well: Sjefke Drissen, die uit pure liefhebberij was gaan grasduinen in de wetenschap der fotografie en er zo begeesterd door was geworden dat hij tot beroepsfotograaf overging. Zijn befaamde grote zwarte doek boezemde de jeugd respect in, want hij zag op die driepoot, met die grote zwarte sluier over hem heen, alles veel beter en commandeerde het bekende vogeltje dat op tijd uit het geheimzinnige kastje moest vliegen. Wel had Sjefke lang getobd om de eerste beginselen onder de knie te krijgen. Want de op aanvrag toegezonden negatieven had hij bij daglicht op tafel uitgepakt en zo wilden ze niet meer werken toen Sjefke voor het feit stond. Met als gevolg een kwade brief naar de leverancier die slechte platen had geleverd.

Ook het geestelijk leven in het gezellige Maasdorp gaf aanleiding tot de nodige afwisseling, zoals het vieren van het Caeciliafeest op 22 november. In feite was dit een kerkelijk feest, maar als patrones van muziekbeoefenaars een zeer populaire heilige, wiens feestdag traditie was en rond welke tijd men zich gezamenlijk om een feestmaal schaarde om zich daarna een glaasje gerstenat te permitteren. Als de kas het toeliet stroomde het vocht overvloedig. Ja in tijden van de hoogconjunctuur vermeldde het menu bij de ‘afdeling drank’ zelfs bier en wijn. Zoals overal was ook hier de koster een zeer voornaam personage in de dorpsgemeenschap. Ik herinner me uit mijn jeugd twee figuren, die wel duidelijk het uitwendige van koster droegen. De bezadigde, plechtige en trouwe koster Jozef Deckers, die nog het gebruik van eieren ophalen in ere hield met Pasen, heeft weinig op zijn naam. Zijn opvolger in 1916, Theodor Braem was echter meer populair en zijn romantische inslag en breedsprakigheid droegen hiertoe het nodige bij. De koster, uit hoofde van zijn ambt, gehouden tot alle werkzaamheden die des kosters zijn, moest op last van de parochieherder op een mooie voorjaarsdag toen iedereen in het dorp het schoonmaakspook najoeg, de kerk stoffen en zoals de pastoor hem duidelijk maakte ook de muren en gewelven. De koster toog blijmoedig aan het werk, maar van hoge muren en gewelven stoffen had hij geen kaas gegeten zodat de opdrachtgever hem  hierop nog eens extra attent maakte. Koster Braem , een zeer zelfbewust  man, verdedigde zich en bracht in het midden dat hij er niet bij kon. De pastoor wees hem toen op de lange ladder die achter het altaar hing, waarop kosters breedsprakigheid lossloeg en hij de pastoor te verstaan gaf: “Al had hij zeven ladders, al had hij zeven maal zeven ladders, dan nog was er geen haar op zijn hoofd dat er aan dacht dit gevaarlijke werk op te knappen. Waarop de pastoor maar besloot de schilder Jacob Drissen in te schakelen.

Van tijd tot tijd was het dorp ook terrein van speculanten en geldjagers, die probeerden op de goedgelovige burgers een wissel te trekken. Zo ook op een zekere winterse dag, toen er twee z.g. Jugoslavische diakenen neerstreken, die voor een zogenaamd goed doel geld kwamen inzamelen. De goegemeente, afgaande op een vals briefje van de Pastoor ter plaatse, offerde goed en gaf zó, dat de quasi geestelijken de tijd vergaten en ten einde raad in het dorp moesten overnachten. De hotels waren dun gezaaid, maar bij Jacob Drissen was logeergelegenheid voor gegoede burgers. Ook onze surrogaatwijdelingen bespraken logies en werden tegen tien uur door de waard naar hun kamers gebracht. Het duurde echter niet lang of de beide heren kwamen armen en benen zwaaiend naar beneden, maar niemand begreep wat ze wilden, daar zij zich niet verstaanbaar konden maken. Daar men geen notie had van hun wensen, probeerde men met gebaren tot klaarheid te komen, hetgeen na lang experimenteren gelukte en men begreep, dat een toilet bedoeld werd. ’s Morgens in de vroegte, zó vroeg, dat de bewoners van het vredige Maasdorp nog sliepen, vertrokken de heren zonder af te rekenen. De waard, die deze handelwijze erg verdacht vond, waarschuwde de opperwachtmeester, die de twee op de „Hamert” achterhaalde en ontmaskerde. De goegemeente was weer eens beetgenomen en beschaamd gaf men toe, dat men eigenlijk ook al argwaan gekoesterd had.

Zo ging het leven van alle dag door maar toch was het altijd weer doorspekt met aardige grappige gebeurlijkheden, waartoe de samenkomsten bij „Jan den Duvel” aan de grens, ver van het woelige centrum. Jan den Duvel, een robuuste wilde figuur, die leefde van alles wat bos en heide opbracht, was dan middelpunt en schonk als de beste waard bier van Herman Koppers, terwijl terwijl hij onder het tappen vertelde van zijn laatste avonturen en strooptochten. Zijn vrouw Teun, een zielig sloofje die danig werd overheerst door Jan, kreeg dan opdracht pannenkoeken te bakken en kweet zich ijverig van haar taak, die haar geheel in beslag nam. Het deeg werd in een speciale schort aangeslagen, waarin een korst zat van jaren, waarna het in een gootje uit diezelfde schort in een koekenpan werd gegoten. Het gerecht was niet te genieten, want Teun en omgeving waren niet al te helder. Na afloop van dit hoofdstuk moest er een soort Wildwest scène volgen, in de trant van Jan, een beetje stropers- of jagersachtig. Zo’n tafereeltje was dan de clou van de dag. Zijn ruige lange baard schudde dan aan zijn kin heen en weer van het lachen en Teun volgde op een afstand het dwaze vertoon van de grote mannen. Jan woonde in een romantische omgeving, ver van alle rumoer van de wereld en dit had op hem ook zijn uitwerking niet gemist, gezien de tekst van het uithangbord naast de deur. Ook hield hij er van op zo’n avond wat te vertellen of te declameren. Een van zijn lievelingsgedichten was het veelzeggende, maar weinig bekende rijm over “De Heks van Well”.

Well in 1901. Foto: Jozef Drissen.