Thom Vink "schoot" de Sterrenbos

Lei Sprunken had Tom Vink gebeld dat er een everzwijn over zijn land liep op de Kamp.

Gevolg: grote opwinding bij de Wellse mannen met jachtinstinct.

Dat was het begin van een grote klopjacht.....

Oktober 1959. Dina Daniels naast haar pleegvader Eugène Hermans voordat de jacht begon op het everzwijn. Rechts politieman Aarts en Huub Vink.


 

 


 

Jager Eugène Hermans van de Kasteellaan wist het beslissende schot te lossen.


 

 


 

Krantenbericht van 30 oktober 1959.

Eugène Hermans, met "zijn" wild zwijn en Thom Vink met de riek.

(De foto werd gemaakt op de weegbrug bij café Vink. Eugène was een oom van Thom Vink zijn vrouw Martha Vink - Hermans.)


 

 


 

HET WILDE ZWIJN DAT TOM NIET SCHOOT

Door: Antoine, zoon van Dina Vullings - Vink.

Beschrijvingen van historisch gebeurtenissen moeten van een jaartal voorzien worden én wáár gebeurd zijn. Met beide heb ik moeite.
Een jaartal zou na enig onderzoek wel te vinden zijn. Een ding is zeker, dit vond plaats vóórdat Tom Vink het Sterrenbos kocht. Ik was zeer jong. Zo jong dat de clou van dit verhaal niet voor mijn oren bestemd was. Kleine potjes hebben grote oren en ik meen het toch echt zo gehoord te hebben als ik het nu ga verstellen. Hopelijk zetten de echte jagers uit het Wolfsven en Sittard me niet op mijn nummer. Dit is wat ik mij herinner en met mijn Vinks bloed in de aderen bekommert het mij ook niet zo erg als het iets bezijden de waarheid zou zijn, als het maar een goed verhaal oplevert.

Achter café Vink lag een bosje. Oorspronkelijk behorende bij het kasteel was het toen  in het bezit van een al oudere rentenier: Sjèn-Ome. Familie van tante Martha. Het heette, en nu misschien ook nog wel, het Sterrenbos. Ome Tom had er al lang zijn zinnen op gezet. Hij droomde hardop  er een soort parkje van te maken voor de hotelgasten, of misschien dacht hij toen al daar een huis voor een van zijn kinderen te bouwen. Maar Sjèn-Ome hield de boot af, wat Ome Tom ook deed om hem te vermurwen. Ome Tom was bereid tot het uiterste te gaan.

En nu het wilde zwijn.
Wilde zwijnen waren het hoogste dat een jager kon overkomen. De beesten kwamen zeer zelden van de Duitse kant in onze regionen foerageren en als dat gebeurde stond  het Moleneind op zijn kop.  Al wat jager was werd opgeroepen. Ook Sjèn-Ome, die een zeer matig schutter was, mocht deze keer op aandringen van Tom ook mee.  Vanwege het Sterrenbosch.
Het leek wel volledige mobilisatie!  Ook het voetvolk  moest mee doen. Daaronder viel, oh wat vernederend voor mij,  mijn vader Frans Vullings. In zijn slechtste plunje, alleen bewapend met een eiken stok werd  hij als eenvoudige drijver overtroefd door het keurcorps van jagers,  dat in vol ornaat,  in deftig groen, met blinkende geweren, lederen weitassen, patronenhouders, stoere laarzen en kleurige veertjes op de kwieke hoedjes hem in alles de loef af stak.
Luid werden de laatste inkomende berichten becommentarieerd. De varkens zouden vannacht over de Maas zijn  gezwommen en in Wansum aardappelvelden hebben vernield. Afblazen dan maar? Nee, volgens de allerlaatste berichten waren ze gesignaleerd in  het Wolfsven. Verse sporen bewezen hun aanwezigheid. Maar opgepast, als ze de grens overtrokken hadden we het nakijken.
Na enkele korte bevelen vloog de hele meute de gereedstaande auto’s  in. De jacht was geopend.

’s Avonds keerde een triomfantelijke stoet terug. Het zwijn was geschoten. Trots werd het aan eenieder getoond. Uitgesterkt lag het dier op de weegbrug voor café Vink. Iedereen  moest van de brug. Alleen het varken bleef. Binnen manipuleerde Ome Tom met kolossale balansen en hefbomen en toverde uiteindelijk een nietig kaartje te voorschijn dat het formidabele gewicht van het monster onomstotelijk vast legde.
En wie was nou de schutter? Was het Tom, Frans, Toon, Hub  of misschien iemand anders? Er werd niet luidkeels over gesproken. Groepjes mensen zonderden zich af en besmuikt werd toegegeven dat er gerede twijfel was. Er was door verschillenden tegelijk gevuurd.
Ik sloop, gebruik makend van mijn kleine gestalte door het gekrioel heen om maar elk woord op te vangen. De naam  Tom viel steeds weer. Maar hoe vaker zijn naam werd uitgesproken des te heftiger werd het  door Ome Tom zelf ontkend. Nee, nee, hij had zelfs gemist, maar het eerste schot had hij naast zich gehoord. Nee Tom had niet de eer, hoe zeer het hem ook speet. Maar wie stond er dan naast Ome Tom? Ik kreeg het maar niet te horen. Ik ging bijna op de tenen van die fluisterende  mannen staan en werd op strenge toon weggestuurd.

Alles werd duidelijk toen de fotograaf verscheen. Trots met het geweer in de hand, een voet op het varken, als betrof het hier een safari-trofee, liet Sjèn-Ome zich vereeuwigen.

Mijn moeder was bij dit alles niet aanwezig geweest.  Zuster zijnde van jagers en slagers belette haar niet een afkeer te hebben van bloedige schietpartijen. Ze had bovendien alles goed van uit haar raam kunnen overzien behalve dan wie er poseerde met het varken. Als echte Vink was haar eerste vraag dan ook aan vader die voor mij thuis binnen stapte: “Wie heeft het varken  afgeschoten? “
“Sjèn-Ome” zei mijn vader resoluut maar met een gezichtsuitdrukking die zij niet begreep.
“Sjèn-Ome, Sjèn-Ome, Sjèn-Ome” riep mijn moeder steeds luider. “En Tom dan?”

Mijn vader zweeg en keek haar lachend aan. Pas toen ze wat bedaard was zei hij zachtjes,
denkende dat ik het niet hoorde:

“Tom heeft vandaag zijn Sterrenbosch geschoten”