Zoek

Vief Lamprör! - opgetekend door Gerard Peters in 1921

Gérard Peters (Sraar) * Well op 25-11-1871 †Den Haag 07-07-1940, bleef zich zijn leven lang een echte Wellenaar voelen. Hij was rentmeester op kasteel Well en daarna burgemeester van onze gemeente voordat hij in 1918 naar Den Haag verhuisde.

Gerard schreef vanuit Den Haag veel over zijn geliefde geboortedorp en dit werd in de Venlosche krant gepubliceerd. Zo ook dit verhaal uit mei 1921 dat zijn oom  Antoon Truijen, een van de hoofdrolspelers uit het verhaal, later aan Gerard doorvertelde. Antoon Truijen zou later zelf rentmeester worden en Gerard Peters ging weer later bij zijn oom in de leer.

 

 

Zie ook pagina Gerard Peters

 


 

Uit de Nieuwe Venlosche Courant van 11-06-1921.


 

Personen die in dit verhaal voorkomen:

# Toon T. is Antoon Truijen, de latere rentmeester *Well 21-12-1830

# Burgemeester’s Louis is Louis Elders *Well 28-11-1831. Hij was een zoon van burgemeester Karel Elders.

# Van Eijll was destijds de rentmeester van kasteel Well.

# Hoe de oude baas Heinrich Henn H ......n met zijn achternaam heette weten we nog niet zeker. Eén mogelijkheid is Heinrich Hennesen gedoopt te Weeze op 21-07-1769, zoon van Franz Hennesen en zijn Nederlandse moeder Johanna Elisabeth Hennesen-Klabbers. 


Vief Lamprör!

Op ‘n Dinsdagmorgen in de maand Januari van het jaar 185.. stapten twee jonge mannen den Kasteelschen dijk op in de richting van den molen. ‘t Was “fiejementig” koud; de sneeuw piepte onder hunne voetstappen en de heldere maan teekende scherpe schaduwen van de hooge lindenlaan op ‘t sneeuwveld. ‘t Klokje van ‘t kasteel klinkte zes heldere slagen door de ijle morgenkou. Toon T. en Burgemeester’s Louis gingen naar de gewone Dinsdaagsche graanmarkt te Goch - te voet, want voor de jongelui werd de koetskar niet aangespannen. “As ‘t zoë nog enne naagt vrust, dan zit ze”, zei Louis, terwijl hij den kraag van zijn duffel omhoog zette en de dikke muts over de ooren trok. “ZE”, dat was de Maas. “Jao”, zei Toon, “dat hilt ze zoë nie lang vol, mer nao Kerstmis kan ze anders meer verdrage as ter vör. Zeuj ‘t nog anhalde? ‘t Is zönne rouwvorst van de merge; um vief ure was ‘t nog nevelig”. De laan stond in haren prachtigsten wintertooi; voor den buitenman-weerkundige een teeken, dat de vorst niet aanhoudt.

Veel gepraat werd er niet; ze moesten tegen den scherpen noordoosten-wind op, die met den stijgenden dageraad in vinnigheid toenam. Achter den molen was bovendien weinig beschutting meer en in de vlakte van “het Mehr” perste de striemende koude de tranen uit de oogen. Bij “het Kolenven” werd een oogenblik dekking gezocht in een dennenboschje, ook om een pijp aan te maken. “Ik gleuf van me lève nie”, herhaalde T., “dat de winter anhilt, heur de enden ‘s spektakelen”. Aan den rand van het bosch staande hoorden de wandelaars op korten afstand groote vluchten eenden voorbijtrekken. Een krakend gesnater vervulde de lucht. De vogels trokken van de Maas over hunne zomerverblijven: het Heerenven, het Mehr, het Wolfsven en ‘t Ierselt, die allen thans onder een stevig ijsdek waren besloten. Het was alsof deze moerasbewoners hun spoedige terugkomst kwamen aankondigen. 

“Nou verut” zei L., “nog ennen ruk en dan zien we op den Heeschen Berg. Daor tussen de bös is ‘t tenminste wat overwiendig”. En met versnelden pas stapte het tweetal in de richting van de Hut. ‘t Was nog een frisch eindje, met de schemering nam de noordoosterstorm toe en de marktgangers waren blij eens rustig te kunnen uitblazen achter de dichte dennenbosschen op den Hèèschen Berg. ‘t Liep zich nu heel wat gemakkelijker, ofschoon de hard bevroren boschweg geen aangenaam wandelpad was en de wind den ijzel van de hooge dennen als sneeuw en hagel door de lucht joeg. Inmiddels werd ‘t dag en werd uitgekeken links en rechts in de boschlanen, want deze streek was zeer wildrijk. Meerdere malen voordat men het Hèèsche Hus bereikt had, was beider aandacht gevestigd op reeën en vossen. Konijnen waren niet meer te tellen en wezeltjes schoten hier en daar uit de heidepollen om een konijntje achter na te zetten.

Er was overlegd den weg niet over Weeze te nemen, maar aan “de Hèèsch” links af te slaan en zoo over “de Knaphei” den kortsten weg naar Goch te volgen. Juist toen ze tusschen woonhuis en schuur van het “Hèèsche Hus” - de weg loopt tusschen deze gebouwen door - waren, kwam de “baas” met zijn knecht en een paar arbeiders uit de schuur om de koffietafel op te zoeken. Ze hadden reeds een paar uur gevlegeld op den dorschvloer. “Mòje, mòje”, zei de baas, die de beide kooplui reeds had herkend, “gej zult ‘t van de merrege nog wel snoecker gehad hebbe, awa? Vrus ‘t an de Maas ok zoë?” “Nou, dat zeuj ik gleuve, mar gej zut van de kelt genne last hebbe, as ge mit ow halfbruur (de dorschvlegel) an ‘t tromme ziet”, merkte T. vriendelijk sarrend op. “Gardomme kèl”, zei de baas, “zolle we d’r ow ok ‘s efkes ner spreie, dan zult gej ok genne last mer hebbe van ow kalde neus! Kelt brukke we niet te lieje, mer hard houwe is ok niet nödig, de haver get er mit zön weer goed af”. Er werd nog wat gepraat over het weer, de prijs van tarwe, haver en klaverzaad, die vorige week met enkel kleine partijtjes aan de markt was, maar slechts 25 penning per pond kon doen. “Gisteraovond was de “gleuentige” ut Goch nog hier”, zei de baas, “on hè wol 68 penning gève, èvel dao gèef ik ‘t nog nie vör”. “Ge komt strak zeker ok naor de mèert”, zei L. “Nee, vandaag nie, de haver mot ’r örst af. Mèr zeg” vervolgde de baas, “gej got zeker vanaovend over Wees truk. Zondag zej “Henn in ‘t Veld”, hèen had de luj van de Maas zö lang niet meer gezien, on wenn ze niet bald kwaome, soll ‘n motte glöwe dat ze krank waore”. “Jao, vanaovend gaon we over Wees trug”, en meteen verdwenen T. en L. in de richting van de Knaphei.

De markt was niet druk bezocht. De vorst had de boeren met geweld aan het dorschen gezet en ze moesten er van profiteeren om vooral het klaverzaad klaar te krijgen. Zooals de Hèèschen Baas had gezegd, waren er enkele kleine partijtjes aan de markt, doch de boeren hadden nog weinig neiging om zelfs voor 70 penning te verkoopen. Een partijtje haver hadden onze Maassche luidjes nog gekocht, waarvoor ze opdracht hadden van den rentmeester van het kasteel. Overigens slappe zaken. Na het obligate potje oud bij van Issum “in de Koeke” (het Koetje) werd de terugreis aanvaard.

Tegen ‘t vallen van den avond stapten beiden bij “Henn in ‘t Veld” binnen. Deze volgens den burgerlijken stand zich noemende Heinrich H…...n, woonde een eindje buiten het dorp aan den weg naar Well, vandaar den bijnaam. Henn zat bij de kachel en nauwelijks had hij bij het “g’n aovend” der binnentredenden deze herkend, of hij stoof overeind en met een donderend Gardome! stak hij hun de hand toe. “On me soll geld gève um olli’s te zien. Me soll bald glöve dat ge bevrore waart. Mer kom, eurst ‘s en Zalig Neijaor, awa.” Hij wachtte de wederkeerige wensch der bezoekers niet af, maar vervolgde haastig: “Nou, gaot zitte” - en tot zijn ega die in de keuken doende was - “moetter, kom ‘s, hier zien Maassche lui, breng de flesch mit en makt mer ‘n werm speunske (een warme punchgrog), ze zullen d’r wel en kalde neus van gekregen hebbe.” Het gesprek liep vervolgens over de markt, de graanprijzen, plaatselijk nieuws en natuurlijk over het weer, waarbij de frissche morgenwandeling nog eens werd herdacht.

Henn kon niet nalaten bij die klaagliederen over de kou medelijdend te glimlachen. Hij blies machtige rookwolken naar het plafond (een paar ons oprechte Peter Canaster had hij reeds versmoord) en minachtend gromde hij:

“Och wat, gej kwajonges kunt nörges mer tège. Nee, dan sollt ge de campagne van Roessland mit gemakt hebbe”. En nu hadden ze Henn op ‘t terrein, waar ze hem hebben wilden. Het was intusschen niet bij een “speunske” gebleven. Daarbij kwam nu Rusland en…..Napoleon. Henn raakte in vuur. Hij had n.l. den veldtocht naar Rusland in de legioenen van den grooten keizer meegemaakt, was gewond en na veel lijden en ontberingen in zijn woonplaats teruggekeerd. Eenmaal op dat thema terechtgekomen en onder den invloed der “speunskes”, hervatte hij voor de zooveelste maal het verhaal zijner avonturen als “conscrit” der groote armee. Hij vertelde van zijn inlijving, eerste oefeningen, het vertrek naar Rusland en de veldslagen daar meegemaakt. Met jeugdig vuur verhaalde hij van de overwinningen op de Russische legers en van zijn ontmoeting met den grooten keizer. Eens bij een kamp aan de rand van een bosch op wacht staande, werd hij door den keizer, die met een paar ordonnansen voorbij reed, aangesproken. En hij vertelde hoe deze, bemerkend dat hij het Fransch niet goed verstond, hem in correct Hoogduitsch aansprak. Hoewel Henn dit beter verstond, evenaarde zijn Duitsche taalkennis die van zijn Fransche, want in het Overkwartier van Gelderland sprak men het Nederduitsche plat en in de kerken werd nog Hollandsch gepreekt. Bij de vertelling van deze gebeurtenis raakte Henn al meer in opwinding, doch zij bereikte haar hoogtepunt toen hij vertelde van den veldslag, waarin hij werd gewond. ‘t Gebeurde bij een aanval der kozakken, die hunne infanterieafdeeling van uit een hinderlaag hadden overloopen, voordat zij het bevel tot carré formeeren konden uitvoeren. Een goed bedoelde sabelhouw had Henn nog juist met zijn lang vuurroer kunnen pareeren, doch niet zoodanig of hij kreeg nog een geduchten slag over schouder en borst. Hij was gevallen, doch korten tijd later steunend op zijn geweer bij zijn troep teruggekeerd. Het verhaal van deze episode had Henn zoodanig opgewonden dat hij met een “On kiek nouw mer” van zijn stoel opvliegend, met de linkerhand zijn vest en hemd openrukkend om het zware litteeken te toonen, rechter hand met dikke korte duitsche pijp omhoog, als om zijn overkropt gemoed lucht te geven, uitbrulde: Vive l’ Empereur!

Henn plofte in zijn armstoel neer, wreef zich even met de punt van zijn wit “sloofje” langs de oogen en staarde enige oogenblikken wezenloos voor zich uit….l’ empereur…..la victoire! (2).

Moeder de vrouw haalde hem echter op meer dan wreede wijze naar de werkelijkheid: “Henn, on wat duj je toch! Wenn de polizei het hört, het ge merge den burgemeister wer hier. Gej mit owen amprör altiet”. Henn keek op: “Sch….an…”, verder kwam ‘t niet, want hoe weinig groen hij de Pruisen ook was, de angst zat er toch een beetje in. “Kom, nog en speunske en dan motte de Maassche jonges mer nao hus”. En toen vertelde hij nog even aan de inmiddels ook onder den indruk geraakte “Maassche” jonges, dat hij na zijn verwonding was opgenomen in de ambulance, zeer langzaam was hersteld en ten slotte na veel omzwervens met een wapenmakker “Pompepaol” (een sublieme verbastering van ‘s mans hoogst esthetischen eigennaam: Beaupoil), een Franschman nu te Hassum achtergebleven, weer in zijn geboorteplaats teruggekeerd.

Na ‘t zooveelste speunske aanvaardden de Wellsche jongens den terugweg. De kou was niet meer zoo hevig en met den wind in den rug - intusschen merkbaar bedaard - was de wandeling minder vermoeiend.

Te Well heerschte reeds nachtelijke stilte toen ze aankwamen. Reeds bij het kasteel hoorden zij de ijsschotsen in de Maas langs de oevers schuren, waar zich een zware baard had vastgezet.

Toen de beide vrienden den volgenden Zondag op de “Groote Waey” een partijtje gingen pandoeren om een lekker glaasje “bombaris” (toch ver te verkiezen boven een warm speunske) hebben zij met nog meer aandacht dan vroeger de in de groote kamer hangende mooie gravures: La bataille de Friedland, la bataille de Jéna, la Campagne de France enz. aanschouwd, want het was niet te ontkennen: zij waren nog onder den indruk van Henn in ‘t Veld’s: Vive l’ Empereur!

      ‘s-Hage, Mei 1921.                           G. PETERS

1) Deze  schets is in hoofdzaak historisch.

2) Nog langen tijd na den val van Napoleon waren de gevoelens der Nederrijnsche bevolking ten aanzien der Pruissen niet veel liefelijker dan thans tegenover de Franschen.