Wellse vrouwen in streekdracht met toer

Noord-Limburg hoorde van 1715-1795 tot het Pruisisch Overkwartier van Gelre. De vrouwenkleding in deze periode werd ooit als volgt omschreven: ‘Eene grooten met blaaw zijde gevoerden stroohoed, als een blinkende ster te midden van het azuur gewelf. Aan dezen hoed is een lint vast, dienende bij slegt weder om den rand neder te halen. Hieronder draagt zij een cierlijke kanten muts met schooyerskant, eene fijne neteldoek die heur boezem bedekt, deze doek ligt gedeeltelijk onder eene fijnen chitsen doek met sterk gekouleurde bloemen rand. Het chitsen nagtgronde jak is versierd met fel gekouleurde bloemen. Onder dit jak hangt de gestreepte rok van wollen stof, eigen gereid genaamd, waarvan zij in de wintermaanden den draad zelve gesponnen heeft. Dit alles wordt gecomplementeerd door eenen voorschoot.’


De muts van de Limburgse streekdracht had tot 1880 een hoge bodem en een lint. Een roze lint gaf aan dat je ongehuwd was, een blauw lint zei dat je gehuwd was en droeg de vrouw een bruin/beige lint dan was zij weduwe.

De vrouwen droegen in de periode van 1850-1950 bijzondere kledingstukken met een hoofddeksel die uit een zwarte ondermuts, muts en toer bestond. Het kostbaarste onderdeel was de tule/ kanten muts. De toer is ontstaan uit de linten van het hoofddeksel uit de vorige periode. Op de toer werden kunstbloemen vastgezet..

De boerinnen droegen een hooggesloten blouse met lange mouwen en een zwarte rok die tot aan de enkels reikte, in ieder geval een eind onder de knie. Deze streekdrachten gaven informatie over de gemeenschap waartoe men behoorde en de mate van welstand. 

Als men uitging of ter kerke ging was men niet compleet zonder toer. Ook kon je hieraan zien of iemand in rouw was. In de zware rouw droeg men een toer die helemaal gemaakt was van zwarte tranencrêpe, een regionale benaming voor een katoenen frottécrêpe.  Vakmanschap, ambachtelijkheid en duurzaamheid waren vanzelfsprekend

De boerenbruid kwam in rijke kledij, zoals een blouse met kanten kraag en lange rok en een knipmuts. Het was gebruikelijk dat de bruidegom aan zijn bruid een korf gaf met daarin een bruidsdoek, een paar schoenen en eventueel een ketting.
De lange shawl werd door de bruid gedragen op haar huwelijksdag. Na deze feestelijke dag borg de vrouw de shawl op in een la van het kabinet en deze kwam weer tevoorschijn bij de geboorte van het eerste kind, maar dan als doopdoek. Rond 1880 moesten deze prachtige doeken wijken voor de pelerine die in de mode kwam. 
De oudste modellen van een pelerine – een kort manteltje – hadden weinig versiering, maar later werd veel passement, franje en kant toegepast. Ze sloten vaak met brandebourgs, dit zijn knooplussen van zwart koord. Aan de voorzijde waren coupenaden aangebracht, in Noord-Limburg ook wel ‘koppeltjes’ genoemd.

Hoe rijker de boer, des te mooier de muts van zijn vrouw. Breed kant in de nek en een groot aantal plooien getuigen van die rijkdom.

Vandaar het spreekwoord: "Wie het breed heeft, laat het breed hangen".