Kasteelpark - tuinen en gaarde in 1918 beschreven door Dr. Adriaan Willemse

Wie was deze Wellse huisarts?

Adriaan Hendrik Maria Willemse *Naarden 22-01-1886 † Wassenaar 22-06-1939

Zoon van Cornelis Adriaan Willemse *Oosterhout 12-09-1844 Gehuwd Venray 22-04-1884 met Carolina Dorothea Francisca Smitz *Oirschot 12-04-1855 


 

C.A. Willemse werd als directeur van het post en telegraafkantoor in Dongen overgeplaatst naar Naarden, waar zoontje Adriaan werd geboren.


 

Gezin Jean Koppers en Anna Diebels in 1898 t.g.v. de zilveren bruiloft.

v.l.n.r. achteraan: Koos -  Lies - Herman - Gon - Liesbeth - Mathieu en Harry. Thei staat tussen vader en moeder.  De acht jarige Johanna staat links van vader. Zij trouwde later met Adriaan Willemse.


 

De Grotestraat ca. 1906. Links brouwerij Hertwell  en ernaast Hotel "Het Roode Hert." 

Na zijn studie volbracht te hebben aan de H.B.S. Rolduc studeerde Adriaan Willemse te Amsterdam aan de universiteit waar hij in1909 promoveerde tot arts op 23-jarigen leeftijd.In dat zelfde jaar 1909 werd hij huisarts in Well (officieel heette dit gemeente geneesheer). Het was een moeilijke praktijk, ze omvatte de hele regio. Zeer grote afstanden, veel binnenwegen, 's winters en in het voorjaar overstromingen van de Maas. De dorpjes lagen dan geïsoleerd en moest de dokter een patiënt bezoeken, dan werd er urenlang in allerlei schuitjes en bootjes rondgevaren. Iemand die deze streek niet kende in die tijd, kon zich er geen voorstelling van maken hoe de jonge dokter dagelijks bij de patienten moest komen.

Hier in ons dorp leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen. Dit was Johanna Koppers *Well 13-07-1890, de jongste dochter van bierbrouwer Jean Koppers en zijn vrouw Anna Diebels uit de Grotestraat.


 

 

 

 

In 1913 kocht Dokter Willemse het pand op het huidige adres Grotestraat 48-50. In dit pand was Hotel "Het Roode Hert" gevestigd en eigendom van Jean en Anna Koppers-Diebels. De hotelvergunning verliep omdat beide eigenaren gestorven waren. Zodoende werd de tapkast, hotelinboedel en het huis verkocht. Dr. Adriaan Willemse heeft er een woonhuis van gemaakt. 

Adriaan en Johanna trouwden op 25-01-1915 en kregen in Well en later in Kerkrade zes kinderen, waarvan er twee jong stierven. De overige kinderen zijn Kees - Gertie - Henk en Miek.

De woning van de jonge dokter tijdens de mobilisatie in 1914 met rechts ernaast  het café van veerman Arnold Drissen.  


 

Willemse: een veelzijdige man.

Tijdens zijn praktijk als geneesheer in Well specialiseerde dr. Willemse zich bij de bekende Amsterdamse hoogleraar interne geneeskunde professor Isidore Snapper. Willemse promoveerde in 1918 met zijn proefschrift " De schotfracturen der lange pijpbeenderen en hunne  behandeling".  Hij was in de Eerste Wereldoorlog een tijd werkzaam in een lazaret aan het Oostfront, terwijl zijn vrouw Johanna als verpleegster dienst deed. In de loop der jaren was hij nog werkzaam in verschillende buitenlandse ziekenhuizen, hij had  zodoende veel ervaring opgedaan met opereren. In Well verichtte hij kleine operaties in het ziekenhuisje van het Bejaardenhuis bij de zusters.

In 1920 werd Willemse  geneesheer-directeur van het  St. Jozef hospitaal in Kerkrade. Het ziekenhuis werd op 2 mei 1914 door de zusters van de Heilige Geest uit Steyl in gebruik genomen​. Hier maakte hij veel vrienden door zijn beminnelijk optreden. 

Hij was op veel fronten werkzaam en was ook een groot natuurliefhebber. De dokter kende de kasteeltuinen van Well op zijn duimpje. In 1918 beschreef hij uitgebreid alle planten en bomen van onze Wellse kasteeltuinen en gaarde. Dit werd in het Maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg gepubliseerd in het juni-juli nummer.

(Zie de originele beschrijving onderaan deze pagina) 


 

Detail uit de Raadsvergadering van de gemeente Bergen van januari 1919 waarin de raad besluit tot aankoop van het huis van dr. Willemse als ambstwoning voor de te Well gevestigde dr. Kroll. Van 1926-1946 woonde dr. Gerard van Bracht met zijn gezin in dit pand waar inmiddels ook een wacht- en spreekkamer was ingericht.


 

ca. 1920. Dr. Willemse achter het stuur met Johanna naast zich. Zoontje Kees met de voeten op de treeplank en familieleden op de achterbank, in de tuin van hun woning. Achter de muur is gedeeltelijk de woning van buurman Toon Derks te zien.


 

Dr. Willemse in 1934.


 

Uit de krant van 03-02-1939. En op 03-05-1939 schreef men: Aan dr. A. Willemse is op zijn verzoek ontslag verleend als geneesheer aan het R. K. Ziekenhuis alhier. De functie van directeur zal dr. Willemse blijven waarnemen. Hij heeft zich met zijn gezin gevestigd in Wassenaar. Daar stierf hij op 22-06-1939.

De overledene bewoog zich niet alleen op wetenschappelijk, maar ook op literair gebied. Naast een grote belangstelling voor de medische wetenschap op zich deed Dr. Willemse zich ook gelden op neven-terreinen. Talrijke publicaties zijn van zijn hand verschenen. Hij schreef o.m. over Verlaine en over de ziekteverzekering en andere sociale wetten uit die periode. Het in een adem noemen van deze geschriften demonstreert enigermate hoe veelzijdig zijn belangstelling was. In 1938 verscheen nog van zijn hand een boek over een Franse schrijver. Hij was o.m. ondervoorzitter van de afdeling Kerkrade-kom van het Groene Kruis, en voorzitter van de afdeling mijnstreek van de Alliance Française. Van al zijn tijdschriftartikelen zijn het meest bekend die over de fobie bij de mijnwerkers en de allereerste beschrijving van een massale methylalcoholvergiftiging in ons land. Ook schreef hij een boek over ”Edelstenen”. Herhaaldelijk trad hij als spreker op in de z.g. ouderavonden (drankbestrijding). Hij was ook de liefhebber en verzamelaar van oudheden. De oudheidkundige Kamer te Tegelen ontving van hem een belangrijke schenking. Als medeoprichter van het  Limburgsch Natuurhistorisch Genootschap schreef hij ook nog een verhandeling over de flora van Noord - Limburg en ontdekte hij een tegenhanger van het oud- Friese en Delftse aardewerk, namelijk het oud- Limburgse aardewerk.


In Kerkrade en in Well zal de nagedachtenis van dr. Willemse blijven voortleven van een kundig, knap geneesheer, van een eenvoudig man, die ook op verschillend terrein zijn belangstelling voor het openbare leven toonde.


 

Het Kasteel Well in Noord - Limburg.


Vijf minuten gaans van de tramhalte Well der “Maas Buurtspoorweg” staat het oude slot. De Heirweg naar Well voert er aan twee zijden omheen, het dorp toch ligt er slechts enkele minuten gaans van verwijderd.


Het kasteel is, met park, tuin en grachten, ruim acht H.A. groot en vormt twee rechthoeken, naast elkaar gelegen en beiden door een breede gracht omgeven. In den eersten rechthoek bevinden zich het, door de binnengracht omgeven kasteel, de bijgebouwen en het park, de tweede is bijna geheel ingericht als tuin en heet hier van ouds de “gaarden”.
Een hooge lindenlaan, in gothieke bogenlijnen de toppen naar elkaar toebuigende, omgeeft het geheel. Slechts aan de Westzijde is een gedeelte onbeplant, daar waar de buitengracht van de “gaarden” aan een weiland grenst.


Langs beide wegen naar het dorp toe zet zich deze prachtige “allee” verder voort. Zeshonderd statige linden, meerdere met een omtrek van meer dan twee meter! Hoe oud zou deze laan reeds zijn? De oude bezitters, welke, naar de volksmond vertelt, slechts in drie generaties zich kunnen opvolgen, de de Pas, de de Liedels, de Schlössnigs, wandelen er reeds onder hun loover en nu nog is het de plaats waar Zondags “geparadeerd” wordt en waar de na-ijverige maan, niet kunnende dringen door het dichte looverdal, het zoet gekeuvel der Well’sche paartjes niet storen kan.


En in deze omraming van hooge stammen en groene toppen ligt het slot zelf, als uit een sprookje in onzen kindertijd. De oude tuinkunstenaar, die het park en omgeving eens aanlegde, heeft door de schoone groepeering, er iets feeërieks aan gegeven. Wie kan heden nog beter en mooier de boomen rangschikken, elk, zoowel bij bloeien als bij ’t gelen der bladeren, juist ter goede plaatse geordend. Eén kleurenpracht, één kleurschakeering, zoowel bij het ontwaken der natuur in lentetijd zoowel bij zomerpracht en herfstweelde als bij het zwiepen der doodsche takken in troostelooze winterdagen.

"Vijf minuten gaans van de tramhalte Well der “Maas Buurtspoorweg” staat het oude slot......


Zoo zag ik het nu negen jaar lang dagelijks, terwijl ik ’s morgens naar mijn patiënten reed en ’s middags daarvan terugkeerde, zoo zag ik het als ’s winters bij hoog water de Maas het kasteel overstroomde als een eiland in een oceaan, of bij het schaatsenrijden op de breede grachten, zoo zag ik het als sneeuw of ijzel de takken en takjes sierde; steeds was er harmonie in lijn en kleur, terneerdrukkend nooit, opbeurend tot vrede en rust ten allen tijde. Zet u hier bij de breede gracht, scheidende park en moestuin. Welk een blik, welk eene pracht!


IJl en licht is het geboomte op  den voorgrond, een treuresch buigt er zijn takken naar het water, hooge, ijle acacias dekken slechts ten halve de zware muren der bijgebouwen en den ronden, sterken toren van het eigenlijke slot. Kleurschakeering brengt er de Bonte Acer negundo Vedereschdoorn, kleurschakeering ook de roode Meidoorn en hooge Jeneverbesstruik. Niets te veel ook want men ziet er als iets geheimzinnigs, iets sprookjesachtig, den ouden burcht tusschen de bladeren en takken door. Zoowel naar rechts als naar links is het geboomte zoo zwaar, dat de blik er niet door kan dringen.

"zoo zag ik het als sneeuw of ijzel de takken en takjes sierde"".....


Naar rechts vormen een hooge lichtbruine beuk, een prachtige roode kastanje- en een lager bij den grond blijvende tulpenboom, katalpas en magnolias, een bontgeschakeerde afsluiting. Naar links, te midden van hoog geboomte, de ruïne van den ouden toren. Ze staat tusschen de binnen- en buitengracht op den Westelijken hoek van het park. Van hieruit ziet men er slechts een klein gedeelte van, omgeven en bedekt door de breede kronen der omliggende boomen. De geheele aanblik heeft iets massiefs; de hooge zwartbruine beuken, de donkergroene spar, het lichte loover der linden, en hiertusschen de roodbruine ruïne somber en donker. Scherp is het contrast met hetgeen we nu links van de ruïne aan de overzijde der buitengracht zien. Hoe lief ligt daar het oude kapelletje van de H. Barbara, met zijn aardig geveltje en klein klokketorentje te midden der slanke linden.


En nog meer ter linker de tuin. Een donkeren ondergrond vormen de taxis en haagbeukberceau tusschen de lindenlaan, welke de gracht ook hier begrenst.
’t Is hier een eenig plekje; de scherpe tegenstelling van de twee donkere en lichte partijen heeft niets gewilds, niets wat naar berekening zweemt. De natuurminnende aanlegger moet hebben kunnen voorzien hoe zijnen schepping door hem nog alleen in visie en beginnende ontplooiing gezien, een unicum zou worden op het gebied van parkaanleg.


Want van welke zijde men het kasteel ook beziet, steeds heeft men een even harmonieërenden als verrassenden aanblik. Aan de Oostzijde, dus het gedeelte hetwelk men van de tram komende het eerste ziet, een middengedeelte, waar naast de breede tamme kastanje, het kasteel zelf goed zichtbaar is, terwijl rechts ervan reusachtige sparren en hooge linden het verdere uitzicht belemmeren en links onder de linden door, de breede taxishaag der basse cour, doorschemert. Treurwilg en Treuresch hangen er hun lange takken in het water, een eldorado voor de velerlei vogeltjes, welke door de breede gracht beschermd tegen de roofzuchtige handen der Well’sche jeugd, er het heele jaar door te vinden zijn.

"Langs beide wegen naar het dorp toe zet zich deze prachtige “allee” verder voort. Zeshonderd statige linden, meerdere met een omtrek van meer dan twee meter! ".....


 

Aan de Noordzijde, dus bij het Barbarakapelletje, ziet men van kasteel en ruïne het meeste. In alles harmonische verscheidenheid, verscheidenheid in kleur vanaf het zwartroode der beuk en het donkergroene der hooge sparren tot het lichtgroene der tulpenboomen, verscheidenheid in bloei en bloeitijd, beginnend zoodra de dagen duidelijk lengen en een enkele zwoele dag aan den  naderenden zomer doet denken, met de Magnolias aan de voorzijde, dikwijls te vroeg uitgebloeid door eenige koude nachten en dan hun pracht overgevende aan de rododendron-groepen er naast en er onder, welke op hun beurt weer wijken voor de roode bloeiwijze der kastanje. De blauwe regen tegen den muur, de witte en paarsche seringen, de gele mahonia’s en kornoeljes (cornus mas), de roode meidoorn achter en tusschen deze groepen maken de Mei en vroege Junidagen wel tot de meest kleurrijke.


Ga ik nu eene opsomming geven van al wat ik er zooal aan vaste heesters en boomen zag, dan vallen aan de voorzijde vooral op de magnolias (M.Yulan), de tulpeboom (Liriodendron tulipifera) en de Katalpas (Katalpa bignonioides). Ze bloeien in de  opgegeven volgorde in April, Mei en Juli. De groote, weinig opvallende bloemen van de tulpeboom zijn ware pronkstukken. De oranjevormige streep op de groote lichtgroene bloembladeren, de purpergestippelde stamper met het groot aantal breede meeldraden er om heen, voldoen ook in een vaasje in de kamer goed. Opvallend is de moeite, welke men de eerste maal heeft om ze te ontdekken. Mimicry! Dan zijn de steeds in groot aantal aanwezige bijen blijkbaar beter van gezicht.
 

"De lorkengroep aan den ingang, direct voor bij de brug, is m.i. het minst gelukkig gekozen"......


Een der Katalpas heeft een stamomvang van 2 M. 30. In zijn holle stam huizen heele kolonies mieren. De andere, even dikke heeft een stam, welke de eerste twee Meter ongeveer horizontaal verloopt.
De lorkengroep aan den ingang, direct voor bij de brug, is m.i. het minst gelukkig gekozen gedeelte, vooral door de vele doode takken en onregelmatige groei. Het ’s winters verliezen of verdorren der naalden maken ze ook al weinig geschikt een entrée te sieren. Onder de Magnolias staan, tusschen sneeuwbes (Symphoricarpus racermosus) en gouden regen, eenige struiken Calycanthus floridu, de specerijstruik, met hun bij zonnewarmte, naar aardbeien geurende, violette bloemen. Hier staat ook een klein exemplaar van de Ginkgo biloba, een conifeer met eigenaardige “bladeren”, welke ’s winters afvallen. Achter de “Magnolia” groep staat een hooge bruine beuk. Dit exemplaar echter de variëteit alropurpurea te noemen, durf ik niet; te veel in aantal toch zijn de groene bladeren tusschen de bruine. Zooals bij alle bruine beuken is de onderzijde der bladeren groen, zoodat men onder den boom staande van het bruine niets, althans weinig, merkt. Of het zonlicht invloed heeft op de kleur, of in den nazomer de bruine kleur altijd minder wordt, waag ik niet te beslissen.

"De tegenwoordige eigenaar DoctorJuris Richard Wolters, uit Düsseldorf "......


Naast den beuk, waaronder een der vele heerlijke zitjes van het park, staat een forsche roode kastanje (Aesculus carnea).
Langs een rooden meidoorn en een bonte vedereschdoorn (Acer Negundo) zien we aan de Zuidhoek van het park een treuresch met den respectabelen omtrek van 1 M. 80 c.M. In het voorjaar kleuren boschanemoon en helmbloem (Corydalis solida) den bodem. Een hooge Jeneverbesstruik (Juniperus Virginiana) en Nordmansspar (Abies Nordmanacana) een treurvorm staat van de Wemyouth den (Pinus strobus pand). De tegenwoordige eigenaar Doctor Juris Richard Wolters, uit Düsseldorf vond dezen eens te midden van eenige duizenden anderen.


Hier staan ook de tweede reeds genoemde acaciaboomen (Robinia Pseudacacia), met een omtrek van 2 M. 10 c.M. Sterk en diep gegroefd is hun bast, ijl zijn hun takken.


Links, aan de gracht, stond voor een tiental jaren een oud tuinhuis en nog vroeger, ik meen een zeven eeuwen geleden, het front van het oude kasteel, front gekeerd naar de Maas, van welken kant het gevaar blijkbaar het meest dreigde. Een gang verbond dit met den ouden toren, welks ruïne we reeds vermeldden.
Nu staat er een modern betonnen tuinhuis, omringd door de donker groene bladeren der Mahonias en gegroeid met roode klimroozen (Crimsom). Verder wandelend komen we aan een groep heesters, gewone en bonte vlier, bonte hazelaar, enkele en dubbele kerria, met als achtergrond hemelboom, catalpa en bonte beuk, terwijl verspreid er om heen jonge exemplaren staan van de manna-esch (Fraxinus Ornus), van de Thuya occidentalis en van Rhus typhina. De Manna-Esch levert de zoogenaamde Manna, in gedroogd sap na het insnijden der takken. Het bestaat uit suiker en garsbestanddeelen en heeft eenige beteekenis in de geneeskunde. Met het manna uit het oude Testament heeft het alleen den naam gemeen, de samenstelling toch van het laatste is volkomen onbekend.

"Nu staat er een modern betonnen tuinhuis".... 


De Rhus typhina, de fluweelboom, wordt zoo genoemd om de viltige stam en takken; misschien ware kameelboom, de kleur ook weergevend, wel zoo goed. Elders staan nog de Rhus alantifolia en de vernisboom de Rhus verninifera, beiden nog jonge exemplaren. Slaan we nu de richting in naar den ouden toren in den Westhoek van het  park dan vallen in de verte (want van onderen gezien ziet men van het bruine bijna niets) het eerste op de twee bijna zwarte beuken, waarvan er een met een stamomvang van 2 M. 50 c.M.


Aan den kant der gracht en er naar toe buigend, staat een reeks hooge boomen, men kan haast zeggen, naast elkaar op elke drie à vier Meter wederom een reusachtige boom. De rij wordt geopend door een majestueuse spar (Pricea excelsa), met haar onderste takken bijna in het water hangende; er naast  de tweelingstruik, daarna een acacia van 2 M. 50 c.M. omtrek, dan een esch, een linde, weer een eik, waarop volgt een tamme kastanje en een linde. Welk eene verscheidenheid en welke prachtige exemplaren op zulk eene kleine oppervlakte!

"Naast den beuk, waaronder een der vele heerlijke zitjes van het park, staat een forsche roode kastanje"......


 

De weg zelf voert onder oerouden taxis heen, een taxis in boomvorm, metende 1 M. 10 c.M. stamomtrek en met takken van 12 Meter lengte. Deze hangen over den weg heen en beschaduwen een opening naar oude casematten onder den toren. Deze taxis is eigenlijk een boom uit het oerwoud en slechts zelden ziet men tegenwoordig nog zulke exemplaren. In vroege eeuwen moet hij tamelijk algemeen zijn geweest, maar door het vellen der boomen, om er lans, pijl of boog van te maken, is hij uitgeroeid.


Aan de achterzijde van het kasteel, waar de binnen- en buitengracht slechts een 20-30 M. van elkaar verwijderd zijn, staan vele linden (Tilia intermedia). Ze zijn allen even hoog, in haar strijd om het bestaan, strevende naar licht en lucht, zoodat ook de in dikte achterblijvende even hoog werd als haar voordeeliger geplante of sterkere zuster.


Eenige Hemelboomstruiken (Ailanthus glandulosa) in struikvorm staan er aan den Noordhoek der binnengracht in verscheidene exemplaren, ahornen en acacias (Robinia Pseudo-acacia) er neven. Drie sparren (Picea excelsa), waarvan een met een omtrek van 3 M. 80 staan op den noordelijken hoek. Gaan we van hier langs de Noord-Oostzijde van het park weer terug dan valt ons aan den waterkant een moerascypres (Taxodium dyslichum) op, onze derde ’s winters met “blad” verliezende conifeer. De tamme kastanje omtrek 3 M. 10) wordt hier in deze streek als weervoorspeller gebezigd. Men zegt n.l., dat als er veel vruchten zijn, een strenge winter zal volgen. We kunnen nu tot ons uitgangspunt terugkeeren of wel door de met een hoogen taxishaag omgeven bassecour  of achterlangs, de buitengracht volgende. Hier staan aan den waterkant een rij geknotte meer op den wal een rij hooge lindeboomen. We zien er een treurwilg en ook een hulst (groene) in boomvorm. De stam is 70 c.M. dik, de boom ruim zeven Meter hoog.


Op den Noordhoek staat een treuresch, in mijn oog, voor een treurboom, te grof van blad. Iets verder staat nog een Magnolia en een jong exemplaar van den Christusdoorn (Gleditschia triacanthos). Aan de groote vertakte doornen dankt de plant dezen naam. Hier zijn we weer terug aan ons uitgangspunt en is het eigenlijke park besproken. Op de binnenplaats ziet men nog een ouderwetschen moerbei, langzamerhand een zeldzaamheid wordend.

"Gaan we over de (nieuwe) betonbrug".....


Gaan we nu over de (nieuwe) betonbrug, welke de gracht overbrugt, naar den tuin, dan zullen we daar noch verscheidenheid, noch de verrassende rangschikking ontmoeten. Een groenten- en vruchtentuin biedt er uit den aard der zaak ook veel minder gelegenheid toe.


De mooiste boom is er de groote plataan (Pl. Occidentalis), die al kan hij niet wedijveren met den 50 meter omtrek metenden plataan bij Constantinopel, waaronder reeds de kruisridders uitrustten, toch voor hier met een stamomvang van 3 Meter 80 c.M., een flinke figuur maakt. Van uit het dorp komende, ziet men hem juist tegenover het midden der laan, aan de overzijde van de gracht. Hij staat met zijn breede, schitterende witgele takken en kroon, in een kleine wildernis van struikgewas en hooge boomen, zoodat zelfs de zware esch van 3 Meter 30 omtrek en de tulpenboom van 2 M. omtrek er weinig opvallen. De grond is er bedekt met lappen van zijn schors, welke ook in de omringende heesters blijven hangen. Sneeuwbes, mispel en kweepeer ziet men er tusschen het struikgewas, Deutzia’s steken er hun witte bloemetjes naar alle kanten uit. Het schuurtje in de nabijheid is tot op het geheele dak begroeid met blauwe regen (Wisteria Chinensis). Hier voorbij begint de oude berceau van haagbeuk (Carpinus betulus), aan de Westzijde overgaande in een smallere taxisberceau.


Verspreid staan er in den tuin nog groepjes heesters, Weigelea, Kerria, zoowel de gewone als de bonte en dubbele, Deutzia en Boerenjasmijn. Tusschen de fruitboomen staat ook een zoogenaamde kersappel.
We hebben den rondgang beëindigd en terwijl we ons rustend neervleien op een der vele lokkende plekjes, denken we met stillen weemoed aan den ontwerper van dezen lusthof, onbekend van naam, onbekend zelfs is de tijd, waarin hij leefde, voor wien de eigenlijke bloeitijd van zijn visie niet weggelegd was, denken we ook aan de oude geslachten, die hier opgroeiden in de schaduwen dezer boomen. Hier was dus de plek waar de liefde groeide van Max Graaf de Pas voor de schoone dochter van rentmeester Bormans, hier ook waar na hun ongelukkig huwelijk de vertoornde moeder haar kind verstiet en onterfde, tot straf waarvoor ze nu nog als schim als witte vrouw, ronddoolt ten nachtelijke twaalfde ure in de sterrenkamer, hier ook de plek waar mijn oud collega de Liedel rust zocht na de zware jaren van z’n Indische praxis. Allen zullen er als wij onder de rustgevende bekoring zijn gekomen van boom- en kleurharmonieën. En slechts noode ook scheiden wij er. 

Well (L) 1918.      Dr. A. WILLEMSE  arts