De Drakentoren

Zeer lang geleden woonde in de heuvels aan de bovenloop van de Maas een verschrikkelijke draak.

Hij vrat dieren, vooral schapen en als hij die niet vinden kon verslond hij ook mensen.
Een grote overstroming van de Maas verdreef het ondier uit zijn duister hol.
Het verhief zich op zijn drakenvleugels en klapwiekte weg naar noordelijker streken.
De draak volgde de Maas en toen hij Well zag liggen en de oude toren bij het kasteel in het oog kreeg,streek het ondier neer en kroop met zijn afzichtelijke lijf onder de toren.
 
Dat gebeurde in de tijd toen de heer van Well met zijn vriend de heer van Afferden op kruistocht was naar het heilige land.
Zodra het gedrocht zich in de kasteeltoren nestelde sloegen alle kasteelbewoners op de vlucht. En weldra vluchtte ook de hele bevolking van Well voor het mensverslindende stinkende ondier.Well was een verlaten oord.
Zo troffen de twee ridders het aan, toen zij eindelijk terugkeerden van hun kruistocht.
Onderweg hadden zij gehoord van de verschrikkelijke dingen die er in Well gebeurd waren : hoe de draak zich daar in de toren genesteld had en mens en dier verslond.
Onvervaard stormden de dappere ridders op hun onstuimige paarden naar de toren met de draak.
Zij bleven in ongeremde vaart om het dier heen galopperen, onder de voortdurende kreet: “Sancta Maria,ora pro nobis, Sancta Barbara, ora pro nobis!
Heilige Maria, bid voor ons, Heilige Barbara , bid voor ons”.
Tenslotte stak de heer van Afferden zijn lans in de opengesperde muil van het monster en tegelijkertijd doorboorde de lans van de heer van Well het hart van de draak.
 
Toen konden alle inwoners terugkeren, zij dankten God en juichten elkaar toe.
De dode draak gooiden ze terug in zijn stinkende hol onder de oude toren.
De vunzige stank die daaruit nu nog opstijgt, herinnert aan de draak. En op de plaats waar de ridders het ondier gedood hadden, heeft men later uit dankbaarheid de Sint-Barbarakapel gebouwd, terwijl de heer van Afferden in zijn heerlijkheid een Mariakapel liet oprichten.
 

(bron : WELL en wee, door Th. W. J. Driessen)