Zoek

De Wellsche Hut

WELL 24 Aug. 1881.

Beruchten inbreker gepakt in de Wellsche Hut van de fam. Jacobs.

Gisterenmorgen gelukte het den brigadier der marechaussees Sluijers, alhier gestationeerd, den beruchten inbreker en brandbrieven-schrijver te arresteeren. Maandagmiddag brak hij te Maashees in en ontvreemdde eenig geld; daarna is hij onmiddellijk op Well vertrokken, hetgeen bij de politie eenige achterdocht verwekte en aanleiding gaf tot deze gewichtige arrestatie. Alhier in de zoogenaamde Wellsche Hut dronk hij omstreeks 10 uur 's morgens zijn glas bier en werd door de vrouw des huizes herkend, die dadelijk door haar dochtertje den marechaussee liet waarschuwen, welke oogenblikkelijk te paard op den dief toesnelde. Het aanhouden ging echter niet gemakkelijk. Janssen vuurde terstond op den marechaussee, dien hij echter gelukkig niet raakte; hierop trok de marechaussee zijn revolver en trof Janssen in het been. Hij liet zich daardoor echter nog geenszins afschrikken, want ruim een half uur heeft hij met hem te worstelen gehad, alvorens hem de boeien te kunnen opleggen. Het geheele dorp Well was in vreugde, de vlaggen werden uitgestoken en er werd eens recht kermis gehouden. Onmiddellijk na de arrestatie heeft hij een volledige bekentenis van de door hem gepleegde diefstallen afgelegd, en toonde hij zijn tevredenheid geen enkelen moord bedreven te hebben. Als een vuur verspreidde de tijding dezer gevangenneming zich overal rond." Een ander correspondent deelt ons de volgende bijzonderheden mede:

Aan de kazerne der Koninklijke Marechaussee te Well, werd Dinsdagmorgen bericht, dat de befaamde Janssen den gepasseerden nacht te Overloon had gestolen. De wachtmeester stuurt onmiddellijk al zijn manschappen naar die plaats. Eenigen uren later komt hem een persoon vertellen, dat hij 't sujet dicht hij Well in de richting naar Weeze gezien had. De wachtmeester, ofschoon alleen thuis, springt onmiddellijk te paard en ontdekt Janssen in de zoogenaamde Wellsche Hut, een herberg onmiddellijk bij de Duitsche grens. Bij zijn nadering begon Janssen zijn revolver in orde te maken, volgens het verhaal van de kinderen des huizes, die nu, op één meisje na, het hazenpad kozen. De wachtmeester opende de deur onversaagd, ofschoon hij wist dat het een strijd op leven en dood zou gelden, daar zijn tegenstander immers reeds vroeger nabij Mill een postbode, die hem wilde grijpen, met een kogel in de beenen getroffen had. Janssen kon de deur niet dicht houden en zette zijn aanvaller de pistool voor de borst; deze echter grijpt de loop met de eene hand en het schot vliegt juist onder zijn arm door; met de andere schiet hij den kerel in de borst. Daarop wil hij den booswicht de revolver uit de hand rukken en er ontstaat een vreeselijke strijd. Beide tuimelen in een gelukkig zeer ondiepen kelder. Onder het hevig worstelen vallen de melkvaten rechts en links omver, totdat het den wakkeren militair gelukte hem midden in het melkbad de pistool te ontnemen, dat op zijn geroep door het alleen te huis zijnde meisje werd opgenomen. Van zijn wapen beroofd geeft de dief zich onmiddellijk over, immers het kleine kereltje kan zich niet met een flinke mannekracht meten. De algemeene roep van hen, die hem heden op zijn tocht naar de Boxmeersche gevangenis zagen, is, hoe toch wel zo een nietig ventje zooveel kwaads kon uitrichten; maar haat en valschheid spreken uit zijn oogen, die te midden van zijn bleek half geschoren gelaat onder zijn lichtroode haren schitteren als tolken van een karakter, dat nooit anders dan boosheid kende. Voorbereid was hij op iederen aanval, want een vrouwendoek was verscheidene malen om zijn lijf gewikkeld en voor zijn borst had hij bovendien een vest vierdubbel gevouwen. Daarom veroorzaakte ook de kogel slechts een lichte wonde.

Bij hem vond men ongeveer ƒ60,- in verschillende muntspeciën en verscheidene gouden sieraden. Volgens zijn verklaring was hij op weg naar Luik, waar hij onder een valschen naam als koopman tegenwoordig zijn domicilie had en met een vrouw in ongeoorloofde betrekking leefde. Hij zou bij deze reeds vader van 2 kinderen zijn. Zijn plan was volgens zijn verklaring, dynamietpatronen mee te brengen op zijn terugreis om het huis van den Edelachtbaren heer Thijssen uit Beers in de lucht te doen vliegen. Ook bij een der notabelen van Boxmeer had hij, zoo verklaarde hij, willen inbreken, doch hij zag van dit plan af daar hij „niet wist waar de aap school". In ieder dorp had bij zijn passage een werkelijke volksmanifestatie plaats en te Boxmeer werden de marechaussees, toen zij hem uit het rijtuig dat hem had vervoerd, haalden, met daverende hoera's begroet. Genoeg lof kan den kloeken wachtmeester uit Well niet toegezwaaid worden, daar hij toch uit zuivere overtuiging van de verplichting, die zijn post hem oplegt een daad dorst verrichten, waarvan het verhaal alleen in staat is ons met verbazing en schrik te vervullen.


Hoe liep het met Janssen af? De dag na zijn arrestatie werd hij van Boxmeer per trein naar Den Bosch gebracht. Lang zat hij daar niet in de cel, want al daags daarna, op donderdag 26 augustus 1881 maakte hij in zijn cel een einde aan zijn leven. Op vele plaatsen haalde men opgelucht adem.

Het pand lag vlak aan de Duitse grens en de drukke grensovergang zorgde wel voor de nodige klanten in deze boerderij-café. Want bij een grenspost is altijd wel iets te beleven met zaken doen.
In het naast gelegen grenskantoor was de grenswacht gevestigd om een oogje in het zeil te houden tegen illegale grensoverschrijding en smokkelwaar.
De eigenaren van 'de Wellsche Hut' waren vanaf 1908 Willem Weijs en zijn vrouw Maria Elisabeth (Beth) Kessels. Sinds ze in dit pand woonde werd Beth Weijs-Kessels wijd en zijd 'Hutse Beth' genoemd, Ze stond bekend om haar gastvrijheid. 

Het echtpaar Weijs had het pand gekocht van Hendrina Jacobs-Janssen, de weduwe van Antoon Jacobs. Antoon werd Hutsen Toeën genoemd. Een van hun kindereren was Reinier, bijnaam Hutse Nierke..

De buren op een paar honderd meter afstand van de Wellsche Hut waren Jan den Duvel en zijn vrouw Teun.
Het gezin Weijs had een goede relatie met hun buren Jan en Teun Janssen. Toen dit echtpaar oud was en zelf niet meer voor eten kon zorgen, bracht Hutse Beth geregeld bezoeken aan het vervallen huisje van haar buren. Overschotten van het eten van de grenswachtsoldaten nam ze dan mee. 


 

De Wellsche Hut wordt verkocht door de weduwe Hendrina Jacobs-Janssen.  Willem Weijs was die dag de koper van het pand met landerijen.


 

Het bekende grenscafé 'De Wellsche Hut' rond 1910.


 

Maria Elisabeth Kessels *Well 19-12-1876 †Well 08-07-1953. Haar bijnaam was 'Hutse Beth'.

Gehuwd in Bergen op 16-08-1906 met Willem Weijs *Well 07-11-1860 †Well 12-09-1918. Zoon van Johannes Weijs en Johanna Koenen.

Tweede huwelijk 04-05-1922 met Johannes Deenen (Landbouwer) *Vierlingsbeek 04-02-1879 †Venray 26-11-1957 zoon van Roelof Deenen en Barbara van den Oever.  

Dochter van: Christiaan Kessels *Well 23-03-1850 †Well 19-03-1913 en Gertruda Hiep *Weeze (Dld) 10-03-1847 †Well 14-12-1915. Het echtpaar Kessels-Hiep had in 1892 de Meerschenhof gepacht.

Moeder van:

Johannes Martinus Christiaan (Sjang) *Well 28-05-1907 X Hendrika Theodora (Drika) Zegers

Martinus Christiaan (Tinus)  *Well 05-03-1909 X Katharina Gertrud Clasen

Gertruda (Truus) *Well 02-07-1912 X Simon van Zilt


 

Uit het kasboek in 1911 van Brouwerij 'het Hert'.  Eigenaar was bierbrouwer Herman Koppers uit de Grotestraat.


 

Uit de krant van 16-11-1912


 

Op 04-08-1913 waren Marie en Henri Esser - Le Brun met drie dochters op weg naar Kevelaer. De grootgrondbezitter uit Venray maakte een stop bij de Wellsche Hut. In het midden Tiny, rechts naast vader zit dochter Stef en de jongste dochter Mia met de voeten op de treeplank.


 

Ca. 1920 werd  na een vossenjacht deze foto voor de "Wellsche Hut" van  W. Weijs gemaakt (zie naamplaatje). Willem Weijs was in 1918 gestorven. 

Weduwe Hutse Beth met links zoon Tinus - dochter Truuj - militair Thies Weijs en oudste zoon van Willem en Beth: Sjang. Staand links is Giel Kessels uit 't Leuken, de broer van Beth.


 

De heer met chauffeur gaat weer vertrekken en Giel Kessels draait aan de slinger om de auto te laten starten.


 

Sjang Weijs in april 1930, bijna 23 jaar oud. Zijn bijnaam was 'Sjang van de Hut'.


 

Uit de krant van 14-07-1930


 

Uit de krant van 22-10-1931


 

Advertentie uit de krant van 06-05-1933


 

Uit de krant van 27-02-1934


 

Foto van een krantenartikel uit 1934, met rechts achteraan de Wellsche Hut, gezien vanaf de Duitse grens.

Onderschrift krantenfoto: 't Wordt den smokkelaars nog wat moeilijker gemaakt. Direct over de grens bij de Wellsche Hut is een Duitsche wachtpost met slagboom geplaatst, dag en nacht bewaakt.


 

Boerderij - café 'de Wellsche Hut' van Sjang en Drika Weijs-Zegers.


 

Sjang en Drika met Truus, baby Betsy en Wim.


 

Hutse Beth in 1950.


 

Winter 1950 aan de grens met de boerderij - café.


 

Café 'de Wellsche Hut' op de achtergrond , met spelende kinderen aan de grens. In het grenskantoor hebben veel gezinnen gewoond van Nederlandse kommiezen.


 

Drika Weijs-Zegers staat in de deuropening.


 

Een oude krantenfoto met Hutse Beth en haar grenscafé, gepubliceerd op 11-08-1953, vlak na haar dood.


 

WELL 11-08-1953 . Op 77-jarige leeftijd is onlangs overleden Elisabeth Kessels, in de Noord-Limburgse grensstreek beter bekend als „Hutse Beth”, die een bekende persoonlijkheid was in de jaren, dat romantische figuren als Jan den Duvel hier een rol speelden. Zij ontleende haar bijnaam aan de „Wellsche Hut”, een boerderij annex grenscafé, gelegen tussen het grenskantoor te Well en de Duitse grens. Medio 1906 werd de Wellsche Hut geveild. Hoogste bieder en koper werd Willem Weijs, die met zijn echtgenote Elisabeth Kessels kort daarna zijn intrek nam op dit afgelegen oord. Tekenend voor de toenmalige omstandigheden waren de prijzen, die genoteerd werden. Met de verkoop van grond en gebouwen werden eveneens de te velde staande gewassen verkocht op deze publieke veiling. Een groot perceel haver werd door Weijs aangekocht voor 50 centen en de inhoud van de huistuin voor de somma van 10 centen. Men zegt, dat het perceel 3 lasten haver opbracht.
Hutse Willem en Beth waren de naaste buren van Jan den Duvel en diens vrouw Teun. Zij maakten de ontwikkeling mee van de ontginning van grote percelen woeste grond in de omgeving (Wemberbroek, Wellsche Meehr, Lackbar en Ceres), die het aangezicht van de streek radicaal zou veranderen. Onze lezers zullen zich uit het in dit blad gepubliceerde feuilleton over Jan den Duvel herinneren, dat Jan den Duvel en z’n vrouw in hun armoedige laatste levensjaren veel hulp hebben ondervonden van Beth, ondanks ’t feit, dat Jan in een dronken bui haar man eens met een dolk naar het leven had gestaan. Zij bracht dikwijls voedsel van de Nederlandse mobilisatie-troepen naar het vervallen zwerverslogement. en het was vooral aan Beth te danken, dat Jan den Duvel en Teun zich naar elders lieten overbrengen, toen zij niet meer in staat waren om voor zich zelf te zorgen. Nadat Jan den Duvel van het toneel verdwenen was, heeft de Wellsche Hut nog geruime tijd een rol gespeeld in dë vaak ruige grensromantiek, zij het onder andere omstandigheden: de aanwezigheid van het mobilisatieleger schiep langs de grens een andere sfeer, maar de grenshandel en -smokkel tierde als nooit tevoren. De Wellsche Hut was daarbij een trefpunt van vele grensgangers.
De gewijzigde economische en politieke verhoudingen hebben later een einde gemaakt aan de bloei van deze grenscafeetjes. Vooral na 1933, toen Hitler in Duitsland de macht had overgenomen en de vaak gemoedelijke verhoudingen totaal verstarden, werd het stil langs de grens. Na de laatste wereldoorlog hebben bedoeningen als de Wellsche Hut, gelegen in de verboden 500 meter strook, wegens het hermetisch gesloten houden van de grenzen, praktisch hun laatste actuele betekenis verloren. Hutse Beth was een der trouwste en meest kritische lezeressen van de geschiedenis rond Jan den Duvel, waaromtrent zij veel bijzonderheden heeft verschaft. Haar heengaan herinnert nog eens aan ’n romantisch tijdperk' dat zij eigenlijk had overleeft en dat voorgoed is afgesloten.' Moge zij rusten in vrede’..


 

Begin jaren '50 werd de gevel opgeknapt.


 

 


 

Op 11-12-1958 brak brand uit in de Wellsche Hut.


 

Het gezin Weijs-Zegers ging na de brand naar de St. Vitusstraat wonen en de familie van der Velden liet het pand opnieuw opbouwen.


 

Na de fam. van der Velden heeft de Wellsche Hut nog verschillende eigenaren gehad, o.a. Braun - Schmitz - den Hartog en Vogel.


 


 

 


 

Zie meer foto's bij Bewoners Wellsmeer