Zoek

JAN DEN DUVEL en TEUN DEN ENGEL.

Jan den Duvel wordt ook in verband gebracht met Well omdat hij ver weg van de kern Aijen afwoonde en dicht bij Well.


 

Geboren als Jan Janssen in buurtschap ' Bruukske' onder Groesbeek op 13-05-1839.

Gestorven als Jan den Duvel in het Gasthuis te Venlo op 08-02-1916.

Zoon van Gerard (Gradus) Janssen (arbeider/ bezembinder) *Milsbeek 11-01-1814. Gehuwd op 18-02-1835 met Johanna (Anna) Tonen (arbeidster) *Groesbeek 26-01-1805.

Broer van Drina - Christ en Antoon Janssen.

Op 03-12-1863 trouwde Jan Janssen te Gennep met de weduwe Wilhelmina Hesselmans-Beumers *Heijen 13-07-1816 †Gennep 20-03-1877

Op 17-10-1884 trouwde Jan Janssen in Bergen (Lb) met zijn tweede vrouw Teun van Baal, woonachtig in Siebengewald.

Antonia Teun van Baal *Groesbeek 07-10-1848 †Venray 27-11-1918

Dochter van bezembinder Johannes van Baal *Groesbeek 20-03-1812 †Afferden 06-02-1874. Gehuwd op 15-12-1841 met bezembindster Maria Kersten *Groesbeek 27-10-1815 †Afferden 22-06-1886.  

Kleindochter van Willem van Baal *Groesbeek 1777 †Groesbeek 18-03-1845 en Antonia Janssen *Groesbeek 01-03-1774 †Groesbeek 18-05-1831

Kleindochter van Antoon Kersten arbeider Gehuwd te Groesbeek op 18-05-1822 met Gerardina Gerrits arbeidster.


 

Huwelijksakte van Gerard Janssen en Johanna Tonen.

Gemeente Groesbeek 18-02-1835


 

Bevolkingsregister 13-05-1839 gemeente Groesbeek - Geboorteakte Jan Janssen.


In de tijd dat Jan geboren werd was er in de omgeving geen werk te vinden en gingen de mannen uit Groesbeek veelal werken in 'Holland' om er te helpen met de oogstwerkzaamheden. Niet alleen in de zomermaanden, maar ook voor een groot gedeelte van de rest van het jaar, trokken ze van huis om voor vrouw en kinderen de kost te verdienen. Zo ook Gradus Janssen, de vader van Jan. Een ander inkomen was de verkoop van de bezems die de bezembinders Gradus en Anna zelf maakten. De bevolking leidde min of meer een armoedig duister bestaan. Er hielden zich in het grensgebied allerlei lieden op in de volkslogementen. Sommige gezinnen uit de armoedige buurtschappen verhuisden richting Siebengewald. 

Jan ging zoals veel kinderen in die tijd niet naar school en kon dus net als zijn moeder niet schrijven. Zij had zelf de huwelijksakte niet ondertekend, haar man Gradus had wel zelf een handtekening gezet. De kinderen moesten moeder al jong mee helpen om wat bij te verdienen. Ze gingen b.v. hei houwen om heibezems van te maken en te verkopen. Het trekken naar seizoenswerk in Holland werd steeds meer afgewisseld met reizen tot ver in Duitsland waar naast bezems ook naalden, paraplu's en allerlei artikelen werden verkocht. 

In dit milieu en teruggetrokken leven groeide de kleine Jan op bij zijn ouders in Groesbeek en in de omgeving.

Rond 1855 was het werken als dagloner en het venten van de handel niet genoeg om van te kunnen bestaan. Vaak ging dat gepaard met het vragen naar aalmoezen en zodoende ontstond er in lichte mate een 'bedelaarsmentaliteit' waaraan groot en klein meedeed. Gaandeweg werd bij de arme Groesbekers steeds minder verschil gemaakt tussen het 'mijn en dijn'. 


 

Op 21 februari 1854  komt de 15 jarige Jan Janssen te Eindhoven in de gevangenis vanwege bedelarij. Dit werd in die tijd gezien als crimineel gedrag.

Het zou niet de laatste keer zijn dat hij in aanraking kwam met justitie. Op 9 september 1860 zit Jan wegens diefstal in de Eindhovense gevangenis en wordt overgebracht naar Leyden (nu Leiden).

Ook zijn broer Toon kwam meerdere keren te 's Hertogenbosch in de gevangenis waar hij  maandenlang zat voor "diefstal en voor diefstal in dienstbaarheid". Verdere aanklacht in 1879: "het toebrengen van schoppen aan agenten der gewapende magt, handelende in de waarneming hunner bediening"

In het voorjaar trokken vanuit Groesbeek grote karavanen van huifkarren Duitsland in en richting Nijmegen om te gaan venten. Ook de jonge Jan en zijn jongste broer Toon trokken zo door de Noord Limburgse natuur. Onderweg werd er gestroopt om aan vlees te komen en ze bezochten bekenden die naar Noord Limburg verhuisd waren zoals gezinnen op de Vreij, de Koekoek, Kreefterheide en omgeving Triangel in Siebengewald.

Als man van rond de twintig jaar kreeg Jan verkering in Gennep, waar hij destijds als arbeider werkte aan de bouw van de spoorbrug. De nieuw aan te leggen spoorlijn Boxtel - Gennep - Wesel bracht veel werk voor de mannen uit de omgeving. De 24 jarige Jan trouwde er met de 47 jarige weduwe Mina. Maar al na enkele jaren werd zijn vrouw ziek. Na dertien jaren huwelijk werd Jan weduwnaar in 1877.

Vanuit Gennep trok Jan weer met broer Toon en hun huifkar naar het zuiden en zij kwamen zo ook in Bergen. Iemand uit Bergen kende vader Gradus Janssen van vroeger en zodoende kregen de zonen een standplaats op de plek waar later het oude gemeentehuis stond. Ze bleven dan in Bergen hangen, waar m.n. de rossige Toon na een bezoek aan de herberg vervelend kon doen en het geregeld aan de stok kreeg met veldwachter Ambrosius. In september trokken ze weer naar Groesbeek want er was kermis. Jan had inmiddels vaker het dorp Siebengewald bezocht en de voormalige Groesbeekse familie van Baal. Zodoende leerde hij hun dochter Tonia kennen. Op Groesbeekse kermis in september, waar iedereen jaarlijks de gewoonte had om elkaar te treffen, kregen ze echt verkering.

Op 17-10-1884 trouwden Jan en Tonia en vierden de bruiloft in Siebengewald. Enkele dagen later vertrokken ze naar het leegstaand en bouwvallige huisje dat Jan nog bezat in Gennep. Die winter stroopte Jan veel en smokkelde schnaps de Duitse grens over, zoals dat veel gedaan werd in die tijd. Het bouwvallige huisje verlieten Jan en Tonia en ze trokken met de huifkar naar Bergen, waar de wagen weer achter café de Keizer werd gezet. Jan voorzag in het onderhoud van gezin door wat ongeregelde handel, stropen en smokkelarij. Soms gingen Jan en Tonia bij een boer werken.

Er werd niet veel meer verkocht met venten en de lange aanwezigheid van de huifkar en de bewoners begon de herbergier te vervelen. Het kwam zover dat herbergier Leopold van Aerssen  er bij de gemeentesecretaris van Douveren op aandrong, zodat deze het met de burgemeester zou bespreken. Voor burgemeester Karel Elders was er slechts één keus: het echtpaar Janssen - van Baal diende de gemeente te verlaten. Zou de huifkar langer dan een jaar hier staan, dan kwamen ze ten laste van de gemeente. Met Bergse kermis in oktober 1885 stond de huifkar er nog steeds.


 

 Het Logement J. Janssen aan de Duitse grens bij de weg van Aijen naar de Hees in Duitsland, vlak bij grenspaal 518.


Verhuizing naar de grens in 1885.

Secretaris van Douveren had een plan om Jan en Teun, zoals ze door haar man genoemd werd, te laten verhuizen. Ze moesten maar gaan inwonen bij het oud kinderloos echtpaar van Brugge. Dit paar woonde in Ayen, in een afgelegen huisje helemaal aan de Duitse grens, niet ver van de Wellsche Hut.  Als Teun er bij kwam wonen, dan kon deze hen aan een goed einde helpen en bovendien was de gemeente weer een moeilijkheid bespaard. De secretaris werd gemachtigd om het verder met de betrokkenen te regelen. Jan en Teun bekeken het lage huisje. Het was beneden één groot vertrek met aan de ene zijde een afgescheiden slaap gelegenheid en er naast een fornuis. Boven was voor Jan en Teun de zolder om te wonen, dit was ook één ruimte. Na veel omzwervingen kwam het echtpaar op 03-11-1885 terecht in dit oud pand op het adres: Ayen wijk D 171. 

Niet lang nadat Jan en Teun er woonden ging het oude echtpaar door toedoen van Piet van Douveren naar een bejaardengesticht. Ze waren te zeer vertrouwd met de eenzaamheid geworden, dat ze de inwoners onder hetzelfde dak niet konden verdragen.

Topografisch woonden Teun en haar man Jan den Duvel in de Aijensche Hut.  Het lang smal huisje lag ca.10 km. ver weg van de Aijense kern, namelijk aan de Duitse grens bij de weg van Aijen naar de Hees in Duitsland. 

Maar omdat het huisje van Jan en Teun vlak bij hun naaste buren, café-boerderij de Wellsche Hut  stond, (gelegen aan de weg Well - Weeze naast de grensovergang), wordt Jan den Duvel ook in verband gebracht met Well.

Foto: Het Wellse grenskantoor lag niet ver weg bij grenspaal 517  en is gebouwd in1906.

Buren.

De naaste buren van Jan en Teun werden de Wellse gezinnen Antoon (Hutse Toeën) en Hendrina Jacobs-Janssen in boerderij-café 'De Wellsche Hut', in 1908 verkocht aan Willem en Beth Weijs-Kessels.

In de nieuwe boerderij aan de Kiezelweg Well-Weeze (nu Wezerweg 9) woonde het jonge gezin Reinier Jacobs-Heselmann, bijnaam: 'Hutse Nierke'  Ze hadden in 1885 hun tweede dochter gekregen.

De Meerschenhof verderop aan de grens was eigendom van de Wellse kasteelheer en verpacht aan de familie P. Nelissen. Vanaf 1899 woonde hier de familie Theo Driessen-Camps. In deze boerderij was een klein pelgrimscafeetje (bierhuis) ingericht voor de bedevaartgangers die te voet naar Kevelaer gingen over de Bedevaartsweg (nu Kevelaersedijk genoemd). 

Een wijd en zijd bekende logementhouder.

Jan was gewend om te leven in Gods vrije natuur en heeft de plek aan de grens leren waarderen. Daar richtten Jan en Teun een café en logement in en waren zo niet meer afhankelijk van financiële bijstand van de gemeente. Bierbrouwer Jean Koppers van 'Het Hert' uit Well was wel genegen om het nodige bier te leveren en de glazen. Toen de dochters van Jan zijn broer Toon ook nog kwamen zingen in het grenscafé, was de herberg een trekpleister voor allerlei klanten, marskramers, kooplui, zwervers, jagers. En hoe kan het anders, ook stropers en smokkelaars behoorden tot de vaste klanten van het logement. Nergens kon men in die jaren zo goedkoop overnachten. Als het in de zomer te heet was boven werd er ook buiten geslapen. Teun verkocht ook nog geregeld heibezems rond de Duitse plaatsen Baal, Wemb, Weeze en Kevelaer.

Jan Janssen had een middelmatig postuur, 1.76 mtr. lang en een grote donkere baard. Veel mensen sloeg de schrik om het lijf als ze in zijn buurt moesten komen. Er was echter geen reden om bang te zijn voor deze zonderlinge persoon. Hij was altijd degelijk gekleed in een lange zwarte jas als hij in de richting van Aijen of Well liep. Op het eind van zijn leven dwaalde hij vaak over de hei met aan zijn hand de kinderen van buurvrouw Hutse Beth, die hij vertelde over zijn duiven, de geiten en de prachtige bok. Hij was gemakkelijk in de omgang met kinderen uit de kern van Well, die hem vaak hielpen de etenswaren een eind mee naar huis te brengen.


 

Wegens mishandeling werd Jan Janssen 4 keer veroordeeld tot gevangenisstraffen van acht dagen - drie weken en 2 keer voor een maand :

Vonnis 27-01-1891 Mishandeling van Willem en Maria Wouters-van Dijck te Gennep / Vonnis 23-07-1891 Overtreding wettelijke voorschriften hondenbelasting / Vonnis 16-11-1891 Mishandeling Martinus Hendriks in Bergen / Vonnis 22-06-1892 Mishandeling van zijn echtgenote Antonia van Baal. 


 

 Zes maanden was de eis. Teun zelf en het echtpaar Lucassen uit de Bosserheide waren getuigen. Jan den Duvel werd op 22-06-1897 veroordeeld tot een maand gevangenisstraf en betaling van ƒ 24,90 voor de proceskosten.


 

Uit de krant van 29-06-1895.


Bijnaam: den Duvel

Het was oktober geworden en de winter lag in het verschiet; de avonden begonnen te lengen, de nachten werden langer. Bij ruw weer was het goed stropen en te smokkelen viel er overigens altijd. Foezel was een gewild smokkelartikel vanuit Duitsland en deze werd gewoonlijk tot aan de Maas gebracht, om van daaruit weer in andere handen over te gaan. Eén van die tussenstations was o.a. Heijen, ter hoogte van het kasteel. Het kasteel Heijen maakte deel uit van de 5 Heerlijkheden in Noord-Limburg; adellijke bewoners bestierden het en 4 van de 6 kinderen waren reeds gehuwd met partners uit de Duitse adel. Alleen de jongste zoon en dochter waren nog met hun ouders op het slot. Het kasteel was mooi gelegen op het vlakke landschap, op enkele honderden meters van de Maas af. De gebouwen waren reeds getuige geweest van diverse wilde taferelen in de afgelopen eeuwen. In het kasteel was een torenhuisje als dagverblijf ingericht voor de jonkheer. Aan de wand hingen enkele schilderijen en de jachtgeweren van de jonkheer. De jonkheer stond bekend als een vrijmetselaar; hij had deze avond bezoek ontvangen van de heer Buizen, ontvanger van Boxmeer en het gesprek wilde maar niet vlotten. Allerlei gedachten gingen door het hoofd van de jonge man. Een besluit moest er binnenkort toch komen; buiten de wachtkamer kontroleerde hij zijn revover. Terug in de kamer joeg hij een kogel door het hoofd van de bezoeker en deze viel dodelijk getroffen neer. Zijn verplichting tegenover de loge had hij volbracht; de opluchting die hij van zijn daad verwachtte bleef echter uit. De jonkheer ging op zoek naar veldwachter Willemke van Lin en samen met de arbeider werd het lijk op een ladder gelegd en met een baalzak erover en de revolver in de hand werd naar de Maas gelopen om het lijk daarin te deponeren. Het was diep in de nacht en ter hoogte van Broenen kwamen zij op de weg naar her veer Heijen-Boxmeer. Beide dragers hoorden iemand lopen; wie kon dat nog zijn, zo diep in de nacht? Het was Jan Janssen, die terug van de Maas kwam en aldaar smokkeljenever had afgeleverd vanuit Duitsland. Willemke beval de man om te blijven staan, doch Jan wilde er het zijne ook van weten, een woordenwisseling ontstond en tenslotte koos Jan het hazenpad. De beide mannen waren hevig geschrokken, doch desondanks deden ze hun opgedragen werk. Jan daarentegen vervolgde zijn weg naar huis in Gennep; met dit alles was hij getuige geworden in deze moordzaak.

De volgende morgen werd de omtrek opgeschrikt door het bericht dat in de Maas bij het veer Heijen-Boxmeer een lijk was gevonden, met een kogel door het hoofd en de revolver nog in de hand. Pas een dag later had Jan het gerucht gehoord in Siebengewald van het gevonden lijk te Heijen. Opeens begon hij zich alles te realiseren en hij was de natuur er niet naar om alles onder stoelen en banken te steken. De jonkheer werd gewaarschuwd voor de praatjes die Jan rondstrooide en het kwam zelfs zover dat Jan, toen hij de jonkheer in diens rijtuig rond zag rijden, voor moordenaar uitschold. De justitie werd in de zaak betrokken en uit voorzorg liet de jonkheer de veldwachter en de arbeider in Rotterdam op de boot zetten, bestemming: Oost Indië. De kroongetuigen waren zodoende van het toneel verdwenen; Jan daarentegen hield vol wat hij gezien had en trok zijn eigen konklusies hoe de moord geschied zou zijn. Echter hij werd aangeklaagd wegens smaad en laster toegebracht aan burgemeester Otten. De rechtbank zat met een moeilijk geval; men was er toch wel een heel eind van overtuigd dat Jan hier geen fabels stond te vertellen doch de mensen met de ladder; de veldwachter en de arbeider waren al in de Oost en zodoende van het toneel verdwenen. Het ging er dan ook niet bepaald gunstig uitzien voor Jan en na een lang debat en beraad werd Jan veroordeeld wegens smaad en laster tot één maand gevangenisstraf. Dit werd Jan te veel; was er dan geen recht meer te bekennen in Nederland? Hij vloog overeind, het beklaagdenbankje uit en greep de eerste en de beste stoel. Geen parketwachter was bij machte om Jan te benaderen en met de stoel in de hand sloeg hij wild om zich heen. De leden van het parket vluchtten in alle richtingen de rechtzaal uit en met de deur in de hand riep de rechter: "Het lijkt de Duvel wel, het lijkt de Duvel wel". Een versterkte wacht kon Jan tenslotte overmeesteren, de president van de rechtbank maakte van één maand nu twee maanden gevangenisstraf en Jan verdween achter slot en grendel. Onder het publiek waren vele Groesbekers; Jan was als een DUVEL te keer gegaan en de rechter had het op een juiste manier uitgedrukt: "JAN DEN DUVEL"......de naam voor Jan was geboren

Heel ver verwijderd van deze donkere cel wachtte in smart en tranen zijnTonia. Ook zij was overtuigd van Jans onschuld en dat hij nu andermans straf moest uitzitten, doch ook dit wachten kreeg een einde. Jan was de tijd wel lang gevallen, doch hij paste zich aan de omstandigheden aan. Al zoveel meegemaakt en nu dit ook nog.  En dan aléén maar omdat hij verteld had wat hij had gezien. "Maar gedaan heeft hij het toch", mompelde Jan in zich zelve.......


 

Theodoor Willem Otten, burgemeester gemeente Bergen van 1879-1904. Hij klaagde Jan Janssen aan wegens 'smaad, laster en belediging​'.


 

Rechtbank 's Hertogenbosch. Zitting 29-05-1897.

Het was tijdens deze rechtzitting  dat Jan te keer ging als een duivel. Zo noemde hem een van de rechters, nadat Jan in de uitspraak te horen kreeg dat hij wegens schuld aan smaad ƒ30,- moest betalen of dat hem anders 1 maand gevangenisstraf boven het hoofd hing. Dat geld hadden Jan en Teun niet. Er werd beroep aangetekend. Uiteindelijk kwamen er nog eens zes weken bij. 

Na het vonnis van mei 1897, als Jan in de kom van Well verscheen om bij 'Het Hert' bier te bestellen of om naar de Wellsche markt te gaan, werd hij door Wellenaren zoals Lang Knillie - Hoeberde Jan - Kessels Han - Baesen Marie - Schaopen Toeën of Grad den Uul begroet met de naam: "Jan den Duvel". Hij zei, dat het hem niks kon schelen als ze zijn vrouw dan maar "Teun den Engel" noemden. 


In Hoger Beroep.

Rechtbank 's Hertogenbosch juni - juli 1897. Zitting 22-07-1897.


 

1897 Gevangenisregisters 's-Hertogenbosch. Inschrijvingsregister gedetineerden: exclusief voorlopig aangehoudenen.

Jan Janssen werd in eerste instantie van 16 oktober tot 15 november 1897 voor dertig dagen vastgezet vanwege 'beleediging'.


 

Uit de krant van 30-10-1897

Uit de krant van 05-01-1898.


 

1898 Gevangenisregisters | 's-Hertogenbosch | Inschrijvingsregister gedetineerden.

Van 14 juni tot 26 juli 1898 moest Jan den Duvel nog eens zes weken brommen vanwege smaad in het openbaar jegens burgemeester Theodor Otten van de gemeente Bergen. Deze straf kreeg hij extra toen hij in Hoger Beroep ging.

Met de nieuwe burgemeester, de Wellenaar Gerard Peters kon Jan het goed vinden.Toen deze nog rentmeester van kasteel Well was ging Jan met hem en Oscar Thissen, de eigenaar van kasteel Blitterswijck, op jacht. Na de jacht bij het Aijermeer en in het Wolfsven werd er nog wat gedronken bij Jan en Teun. Peters vertelde lange verhalen over de Wellse kasteelheren, die Jan den Duvel graag hoorde. Sjang Roeffen van de Sintelenberg (later woonde hij aan de Wezerweg) kwam ook vaker in het logement als hij boodschappen had gedaan in Weeze.


Landelijke Dagbladen: Sensatie aan de grens met een gast van het logement. Hoe verregaand brutaal hier door de Pruisische politie gehandeid is kan uit het volgende blijken en j. l. maandag is voorgevallen.​ Zulk eene handelwijze is toch nimmer te rechtvaardigen.​

Uit de krant van 05-06-1900.


 

Piet Lucassen (Liene Piet) uit de Bosserheide speelde vaker op zijn trekharmonica in de herberg.

Hij was getrouwd met Anna Margaretha Reijkers uit Kevelaer.


 

Een foto uit ca.1905. Het logement-bierhuis van Jan de Duvel. In de deur staat Teun en de herbergier Jan den Duvel staat achter de stamtafel. Verder van links naar rechts: Herman Kessels (bakker) en Frans Achten (bakker) uit Well, Herbergier Gerrit (Gerhard) Hallmann en Henny Looijschilder (Looschelder ?) uit Weeze, Herman Koppers (Wellse bierbrouwer en loco burgemeester van de gemeente Bergen) en Jacob Drissen (caféhouder-huisschilder) uit Well. 

De Wellse vereniging 'Vreemdelingen Verkeer' speelde handig in op de bekendheid van Jan den Duvel en verkocht ansichtkaarten aan toeristen. 

Bij de deur hing een bord met het opschrift:  Ik woon hier aan den weg.... Wat kan ik beter wenschen.... Dan zegen van den Heer.... En nering van de menschen.


Het Logement

Met een ladder moesten de koenders, zoals Jan zijn slaapgasten noemde, naar boven op de primitieve zolder. Het nachtverblijf van het logement bestond uit wat strozakken en dekens. Een krijtstreep die de scheiding aangaf: aan de ene kant de mannen en aan de andere kant de vrouwen. En wee als iemand over de schreef ging, dan kregen ze met de waard te doen. Bezoekers brachten weleens een trekharmonica mee om daar de boel op te vrolijken, zo ook Piet Lucassen uit de Bosserheide, Liene Piet genoemd in de volksmond. Jan had er zelf ook een en speelde ter afwisseling geregeld een deuntje. In de zomer zaten de gasten buiten aan een tafel om daar in de vrije natuur te genieten van het vrolijke samenzijn. Het houten vat met bier van brouwerij "Het Hert" uit de Grotestraat stond op een kleine verhoging onder het bed in het slaapgedeelte, zodat er niemand aan kon komen. Teun bakte pannenkoek met krenten op het platte buis fornuis en verkocht ze aan de gasten. Het beslag mengde ze in haar schort. Ook koffie en boterhammen werden verkocht. Jan vertelde vaak van zijn jachtavonturen en smokkeltransacties. Er werd als bijzondere attractie de "Duveldans" uitgevoerd, b.v. als de schutters uit Weeze daar vertier kwamen zoeken. In een grote ijzeren pot werd de duvelsdrank bereid en op de maat van de harmonicamuziek sprong en danste men in het rond. Jan danste met zijn vrouw Teun en zo werd het ritueel van de duvelsdans opgevoerd. De deurposten en raamkozijnen zaten vol met krassen en tekens die de zwervers en bezoekers achterlieten als een soort boodschap in het gastenboek. In de stal, die Jan zelf bij het huisje gebouwd had, stonden de geiten, een bok, een koe en soms een kalfje. Ook hadden ze kippen, een haan en op zijn tijd kuikens. Op zijn duiven was Jan erg trots.

In weinig jaren tijds ontwikkelde de zaak zich tot een druk bezochte en bekende inrichting met de meest beklante herberg uit de hele gemeente. Per week verschudde Jan twee tot driehonderd liter bier. Jan en Teun hadden een tijd lang hulp van een oudere knecht. Deze onnozele Bertus kwam van de Bergse hei. Nadat Jan en Teun het werk alleen af konden ging Bertus op grote Duitse boerderijen werken. Hij kwam nog geregeld naar het logement en er bleef een vriendschap tussen hen bestaan. 


 

Er wordt gefeest. Voor het logement : Jan den Duvel wordt 'bedreigd'door brouwer Herman Koppers. Teun op de achtergrond. Zittend aan tafel: Hallmann en Looijschilder uit Weeze. De andere gasten uit Well: Drissen - Kessels en Achten, die eveneens in het spel betrokken zijn. 


 

Teun voor de plaggenhut die Jan zelf gebouwd had en als stal diende voor de geiten, de bok en de koe. Teun plagde de hei uit het veen in het Wolfsven en omgeving, dat werd gebruikt voor strooisel in de koestal. Het kind is waarschijnlijk van de fotograaf.


 

Uit de krant van 16-05-1908


 

Mensen uit Well en Weeze voeren samen de "Duvelsdans"op. Jan en Teun vormen het 'middelpunt'.


 

Op 24-07-1910 bezocht de Vereniging van Postbeambten uit Goch het logement en men ging natuurlijk samen met Jan op de foto.

Bovenaan v.l.n.r.:  A. Koenen en zijn vader (met baard), Booten, Johann Goertz, Josef Bäcker, Bettrey, Holtkamp, Peiter, Hermann Willemsen en Jan den Duvel.

2e rij: Kröll, Hendrick (Hassum), Wackertapp, Johann Hofmann, Antoon Huisman, Weschmann en Peter Goertz.

Vooraan: Karl Visser, Fritz Meier, Bernhard Nunnendorf, Jacob Janssen, Thomesen en Peter Maas.


 

Uit het kasboek van Herman Koppers van bierbrouwerij 'Het Hert" Grotestraat Well.


 

Uit de krant van 10-07-1915


Einde van Jan den Duvel zijn logement.

Toen het klooster van de strafkolonie "Petersheim" aan de overzijde van de grens in Baal ook zwervers en landlopers huisvesting bood, was het langzaam aan gedaan met Jan zijn logement." Die verdammte Kolonie" heeft mijn bedrijf kapot gemaakt, klaagde Jan. Steeds minder zwervers kwamen in logies bij Jan en Teun. Veel andere personen bleven aanvankelijk wel een vaste gang houden naar de herberg.  Maar in de jaren 1912-1916 liep de klandizie terug er kwamen bijna geen klanten meer. De gemeente, de buurvrouw "Hutse Bet" en vrijwilligers moesten zelfs voor eten zorgen toen Jan en Teun ziek werden in hun onderkomen woning met een lekkend dak en vol ongedierte. Dokter Willemse, de huisarts uit Well,  kwam zo vaak hij kon. Hij had Jan en Teun al vaker in behandeling gehad en kende het echtpaar wel. In de herfst was Jan vaker ziek geworden. Dan was het tijd dat er een nieuwe jachtakte besteld èn betaald moest worden. Dokter Willemse was dan de helpende hand die op het gemeentehuis er voor zorgde dat Jan een nieuwe jachtakte kreeg. Want niet meer kunnen jagen was geen leven voor Jan. Postbode Hendrik Krebbers uit de Grotestraat kwam dan enkele dagen later de aangetekende brief brengen, die Jan met een kruisje ondertekende. De hygiënische toestand was echter zo slecht geworden dat dokter Willemse geen andere uitweg zag dan dat Jan en Teun in een bejaardengesticht opgenomen werden. Maar in de verste verte wilden Jan en Teun hier niets van weten. Ruim 31 jaren hadden ze daar aan de grens gewoond en was Jan den Duvel een bekend figuur geworden in Well en omgeving.

In januari 1916 was de toestand van Jan zo verlechterd dat luitenant van de Boogaard van de Grenswacht ingreep. Hij was uit nieuwschierigheid een kijkje gaan nemen omdat Hutsche Beth er telkens eten naar toe bracht wat van de soldaten over was en de luitenant was getroffen door de staat van verval waarin de woning verkeerde. Binnen trof hij tot zijn ontsteltenis de zieke bewoners aan in armoede en vervuiling. Drie hospitaalsoldaten werden ingeschakeld om Jan op een draagbaar op te halen en naar de Wellsche Hut te brengen. Daar zou hij gewassen worden en schone kleren krijgen. 

Doodziek werd Jan op 1 februari 1916 door Lei Vink met de kar naar de tramhalte aan de Rijksweg bij Vink gebracht. Met de tram van de Maasbuurt werd hij vervolgens naar Venlo vervoerd en door de drie soldaten op een draagbaar naar het R.K.Gasthuis Sint Joseph in de Begijnengang gebracht (foto).
Hier was de diagnose: "Versleten, totaal uitgeleefd en op de bodem van zijn krachten". Hij werd door de Zusters van Liefde verzorgd. Zijn broer Toon, die destijds in de Venlose wijk Zand-Arabië woonde, heeft hem bezocht, Teun den Engel was te zwak om naar Jan te gaan. Ook werden hem de laatste Sacramenten toegediend.

Op zijn werkelijk laatste reis kreeg Jan den Duvel de genade mee van de Kerk, waarnaar hij na een lange afdwaling was teruggekeerd. Hij ging als een Duvel van God op 8 februari 1916 en werd begraven op het Venlose kerkhof. Zo vaak had Jan de stad gehaat; het platteland was zijn paradijs op aarde.

Jan den Duvel


 

Uit de krant van 15-02-1916.


Het verdriet om haar overleden Jan steeg Teun naar het hoofd, ze leed onder hevige angstvoorstellingen en wanen. Eenzaam sleet ze haar tijd in het vervallen huisje. Vrijwel dagelijks ging Hutse Beth naar haar toe en zag haar ellendig bestaan. Hutse Beth kreeg haar zover dat ze met enkele mannen meeging en men verhuisde haar net buiten de kern van Aijen in een ingericht arbeidershuisje bij de familie van Douveren op de Suykerberg, nu Aijerdijk 5. Daags erna werd  het vervallen logement aan de grens omgestoten en gesloopt. Maar ook Teun werd steeds onrustiger, zieker en haar wanen erger. Radeloos verstopte ze zich vaak of vluchtte zelfs midden in de nacht naar een van de buren en verstopte zich in de struiken.  Uiteindelijk werd ze opgenomen in het St. Anna Gesticht te Venray. Daar  overleed Teun den Engel op 27-11-1918 en was weer herenigd met haar man Jan den Duvel.

St. Annagesticht in Venray en het opname register met Antonia van Baal op 13 augustus 1918 en haar overlijdensdatum enkele maanden later op 27 november.


 

Antonia Janssen-van Baal alias Teun den Engel.


 

De journalist maakt meerdere fouten in onderstaand artikel en gaat er van uit dat Jan den Duvel aan de Wellsche Hut woonde.

Op 19-04-1926 toen dit artikel gepubliceerd werd, had zakenman Jan Rat, zoals zijn bijnaam was, een zelfgetimmerde kraam aan de Wezerweg. Iets wat Jan veel geld opleverde, maar wat hem niet in dank werd afgenomen. In het najaar van 1926 werd het huis gebouwd en konden Jan en Trautje Raijmakers aan de grens gaan wonen. Ze runden daar een café met levensmiddelenwinkel. (Later tankstation - huidig adres Wezerweg 28). 

De Wezerweg, aan beide zijden beplant met bomen, noemt de journalist de rijksweg.  


 

Zonder een „Jan de Duivel" zou wellicht de naam nooit bestaan hebben, want met de vestiging van Jan hier in dit verlaten oord, heeft men gaan spreken van „Wellsche Hut". Meer dan een hut was het woonverblijf van Jan ook niet. Het was een laag onooglijk huisje, beplakt en opgelapt en toch speelde er ieder windje, dat over de heide kwam, doorheen en streek langs Jan's langen, zwarten baard.
Vroeger had de klank „Wellsche Hut" een zeer schrikwekkend iets in zich. De menschen schuwden deze verblijfplaats, welke gelegen was tusschen bosch en hei, ver van elke menschelijke behuizing. En het was niet alleen omdat de eenzaamheid hier over de woeste, ongenaakbare natuur lag, maar vooral had men het niet begrepen op Jan met den baard, den ruigen stoeren Noord Limburger met z'n verwilderd gezicht, die de oorzaak is geweest, dat Jan van de toch reeds met bijnamen niet karig zijnde bewoners rondom hem den minder vleienden toenaam kreeg van „de duivel". 
Jan was een ruw heerschap, — ruw van inborst gelijk z'n uiterlijk was, maar toch was hij niet slecht en heeft hij vaker getoond een goed hart te hebben gehad. Bij het verscheiden van Jan — 'n vijftien jaren geleden — heeft men nog kunnen constateeren, dat hij bij verscheidene bewoners in de buurt hooger stond aangeschreven dan men ooit had kunnen verwachten. Zelfs in 'n enkel blad werd hij geschilderd als een perron, die trots den verkeerden klank, welke van hem uitging, toch nog lang zoo slecht niet was en allerminst een... duivel is geweest.
Wel was Jan een heel bijzonder type, en persoonlijkheid in het Noord-Limburgsche volksleven zonder weerga, maar dat alleen om zijn oorspronkelijk karakter. Zijn hut was het rendez-vous van stroopers en smokkelaars, die bij hem een gul onderdak kregen. Zelf „first class” wilddief en smokkelaar behoefden zijn bezoekers onder het lage dak van Jan’s hut geen geheimen te bewaren. Bij het verdeelen van den buit, dat gewoonlijk bij de noodige “foezel” plaats vond, ging het er soms luidruchtig toe en gebeurde het niet zelden, dat in de laatste instantie Jan er bij te pas kwam, die den twist suste of de herriemakers buiten de deur zette. Het waren veelal ongure klanten die bij Jan aandeden, maar hij wist er mee om te springen en… geheimen te bewaren. Want geheimen bestonden er binnen het leven van de Wellsche Hut. Smokkelzaakjes, die het daglicht schuwden en steeds een vrees in de betrokkenen wakker hielden, waaraan Jan het zuivere wist en... zweeg. 
Het was zelfs bij een moordproces, hetwelk in Den Bosch behandeld werd, dat een oud vrouwtje uit de buurt van de Wellsche Hut tot de rechters zeide : „Mijnheer de rechtbank, ik weet iemand, die er meer van weet, en dat is... Jan de Duivel! 
Maar Jan heeft gezwegen. Men heeft hem er zelfs niet bijgehaald, omdat de zaak in geenen deele om hem draaide, en ook Jan heeft niet met zijn geheim te koop geloopen.
Ook landloopers vonden bij Jan een welwillend onderdak. Zij konden er voor een paar dubbeltjes overnachten en 's morgens werden ze nog extra onthaald op een kopje koffie en konden daarmee weer verder trekken. 
Thans is de hut van „Jan de Duivel" waarin zooveel ruwe gasten vertoefd hebben, reeds lang afgebroken. Ze heeft gestaan 'n duizend meter van den met berken langszij geplanten rijksweg door de hei naar Kevelaer, vlak bij de Duitsche grens. Langs een ouden karweg kan men nog die plaats naderen, welke alleen de grondslag is geweest van den naam „Wellsche Hut die thans officieel erkend is. Nu, in het voorjaar staat er nog een oud, schriel pruimeboompje te bloeien en het stukje „groes", dat bezijden de hut was gelegen is als een oase temidden van dorre  hei, die hier maatloos golft van Noord tot Zuid. 
„Jan de Duivel" is vergeten, maar de Wellsche Hut is gebleven. Hijzelf zal wel nooit gedacht hebben, dat bij de eerste zode, welke hij afstak om z'n hut te bouwen, de naam, welke zijn primitief gebouwtje reeds spoedig ontving zou blijven bestaan. 

Het schijnt echter of de Wellsche heide haar hut moet hebben. Vlak aan de grens aan den kant van den rijksweg staat een kermiskraam, welke thans algemeen de „Wellsche Hut" wordt genoemd. De eigenaar, een flinke royale kerel, heeft de kraam geheel volgestopt met koffie, thee, tabak en allerhande waren, wat gretig door de Duitschers betrokken worden. Er is een aardig centje mee verdiend, hetgeen de jaloezie heeft opgewekt van enkele winkeliers in het dorp, die bij het gemeentebestuur aangedrongen hebben op opheffing van de tegenwoordige Wellsche Hut. De gemeente heeft het lot in handen, daar de kraam op haar grond staat. Misschien is de tegenwoordige eigenaar er de dupe van, want men moet al heel weinig handelsinzicht hebben, kan men niet verwachten, dat met het verdwijnen van den kraam een ander winkelier zich op dit punt zal komen vestigen. 
Is dat het geval, dan is het laakbaar om den nieuwen Jan van de Wellsche Hut er uit weg te jagen, en dan is het eveneens geen fair stuk gemeentepolitiek van enkele „drijvers". Want men moet weten: de tegenwoordige Wellsche Hut-bewoner heeft een zaak gevestigd, die gaat. Een groot stuk van het Rijnland kent hem en komt bij Jan zijn inkoopen doen en probeert meteen de Duitsche grenskommiezen te ontgaan.
Wanneer een ander bij het deporteeren van Jan een winkeltje zette bij de grens, zou deze de klandizie overnemen en... de vruchten van z'n voorganger plukken. Wellicht echter wil de gemeente deze eigenaardige plaats mèt hut bewaren. Als een interessant hoekje, een herinnering aan... „Jan de Duivel".


 

Uit de krant van 24-04-1926. Een reactie op het eerder verschenen artikel. 

 

Oud Wellenaar en oud burgemeester van Bergen Gerard Peters.


 

In de jaren ’60 verscheen er in het Dagblad voor Noord-Limburg en in een aantal weekbladen in Goch, Groesbeek en Gennep een feuilleton, geschreven door Frans van Aerssen uit Aijen. In 1971 verscheen er een samenvatting in boekvorm. Hier en daar historisch gezien niet correct , maar het is een verdienste van de schrijver dat hij de lotgevallen van een van de meest schilderachtige Noord Limburgse figuren voor het nageslacht heeft kunnen zeker stellen. Op de cover staat een foto van Harrie Wijenberg uit Aijen die op 20 april 1952 in de Revue "Aijen gaat het begaaien" de rol speelde van Jan den Duvel.

 

 


 

Aan de Ceresweg, bij de ingang richting de plek waar het logement stond heeft de gemeente Bergen een fraai bord geplaatst. Zodat de huidige tourist weet waar hij zich bevindt. Helaas laat een bijnaam als den Duvel zich niet in den Duivel vertalen.... Jammer.