Zoek

Woonoord 'Oude Molen' - Kamp Well - Ambonezenkamp

De 4000 Molukse KNIL militairen die in 1951 naar Nederland werden verscheept, vormden het elitekorps van het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger. Het eerste schip de 'Kota Inten' kwam op woensdagavond 21 maart 1951 met ca. 900 mensen in Rotterdam aan. Het laatste schip, wederom de 'Kota Inten' op 21 juni 1951. De passagiers waren geen vluchtelingen, asielzoekers of migranten maar loyale militairen met hun gezinnen (ca.12.500 personen). De militairen hadden niet alleen gediend, maar ook gevochten uit naam van onze koningin.

Bij hun komst naar Nederland werden, o.a. in de Wet  Ambonezenzorg, afspraken gemaakt over een spoedige terugkeer en de zorg voor levensonderhoud. Maar van een terugkeer naar de vrije Molukken, die aanvankelijk zelfbeschikking zouden krijgen, kwam uiteindelijk niets terecht. De reis op het schip duurde een maand. Aan boord hoorden de mannen al een gerucht dat ze ontslagen waren, dit bleek later ook zo te zijn. In Rotterdam ging men van boord en van daar uit werd iedereen in Amersfoort medisch gekeurd en willekeurig verdeeld over Nederland. Door de naoorlogse woningnood kwamen ze terecht in 71 ‘woonoorden’. Hier in de buurt werden ook dergelijke woonoorden voor Molukkers ingericht in o.a. Tienray, Gennep, Venray en Blerick. Vanuit de tropen naar het koude en natte Nederland viel voor deze mensen niet mee. Men sprak de taal wel, maar het klimaat  en ook de mensen, het leven en het eten waren anders. Ze mochten niet werken, want ze zouden toch snel terug gaan. Dat liep anders, want Nederland zette zich nooit in voor een vrije Molukse Republiek. De Molukkers konden niet meer terug. 


 

Uit de krant van 19-03-1951


 

Op 8 april 1951 kwam het derde transport met Molukse ex-KNIL-militairen en hun gezinnen aan in Rotterdam. De Roma was op 7 maart vertrokken vanaf Tanjung Priok.

Verder waren er de motorschepen:  Atlantis - Groote Beer -  New Australia - Skaubryn - Fairsea - Castelbianco - Goya - Somersetshire - Asturias.


 

Uit de krant van 11-05-1951.


 

Van de groep die als eerste opvang in het klooster Lilbosch geplaatst was, kwamen na een jaar in 1952 achtentwintig gezinnen naar Well. Ook kwamen mensen vanaf Zwanenburg naar Well. Hier lag achter de vroegere molen, aan het begin van de Wezerweg, een leeg barakkenkamp, dat in de Tweede Wereldoorlog als arbeidskamp van de Nederlandse Arbeids Dienst (N.A.D.) gefungeerd had en later nog als vakantieverblijf van Stichting 'Het Vierde Prinsenkind', die na de oorlog vakantiekampen organiseerde voor jeugdige oorlogsslachtoffers. In dit barakkenkamp werden, na een opknapbeurt, waarbij de kantine-zaal verbouwd werd tot school, de gezinnen gehuisvest. In iedere barak zaten zes of acht families. Die hadden allemaal een kamer, een eetkamer en een slaapkamer. Ze ontvingen drie gulden zakgeld per persoon en anderhalve gulden per kind. Dat was o.a voor stroom uit een apparaat waar je geld in moest doen. Eten kwam uit de gaarkeuken, ’s middags warm en ’s avonds brood. Voor in hun eigen kamer was er koffie, thee en melk. Juffrouw Wielinga werd onderwijzeres in het woonoord. Ze kwam uit een zendelingsfamilie en begreep de Ambonezen. Er was veel sociale controle onder elkaar. Er werd door de jeugd muziek gemaakt, er was in het kamp een volleybalveld en in de bossen werd gespeeld door de kinderen. Per 1 december 1952 woonden er 30 gezinnen in Well en 1 vrijgezel. Totaal 101 personen.

De Molukkers werden in Well  Ambonezen genoemd, alhoewel ze niet allemaal van Ambon afkomstig waren. De meeste Molukkers kwamen van de Zuid-Molukse eilanden, met Ambon als bekendste. Daarom is Molukker voor velen synoniem met Ambonees.
Men wilde het kamp later nog vergroten voor in totaal 100 gezinnen, maar dit is uiteindelijk niet gebeurd.


 

Uit de krant van 11-02-1952.

Het leven in Woonoord 'Oude Molen'.

In 1952 werden de eerste Molukse gezinnen dus ondergebracht in de groene barakken achter  de verwoeste Wellse molen. Al had men een eigen kerk en school, toch groeide er ook een hechte band met de Wellenaren. Men deed in Well boodschappen, werkte bij tuinders in de omgeving, ging wekelijks naar bioscoop ”Walaria”, bezocht elkaars feesten en ging vriendschappelijk met elkaar om. Men bezocht in Well huisarts Smals als het nodig was en Wijkzuster Tonk van het Groene Kruis kwam geregeld bij de families op bezoek. Vooral de iets oudere jeugd kreeg een goed contact  door samen te musiceren en heel wat Wellenaren kregen in die jaren hun eerste gitaarlessen. Daarnaast werd de volleybalsport beoefend, hetgeen in 1961 resulteerde in de oprichting van Volleyclub V.C. Tornado, waar zowel de dames als de heren heel wat overwinningen behaalden, dank zij de goede training door de Molukse jongeren. 
Well en de bewoners van het woonoord deelden lief en leed als één grote familie. Vanaf ca.1961 vertrokken de meeste bewoners naar diverse woonwijken in Nederland. De familie Suspuseta b.v. was de enige uit kamp Well die in Doesburg kwam te wonen. De meesten zijn naar Opheusden en Cuijk gegaan, sommigen naar het westen van Nederland. Niemand van hen bleef in Well wonen, maar desondanks bleef er, ook na het vertrek van de laatste familie in 1969, een sterke band bestaan door de van tijd tot tijd georganiseerde reünies en de wederzijdse uitnodigingen voor bruiloften en verjaardagen.


 

 


 

 


 

 


 

Voorlichtingsbijeenkomst in woonoord Oude Molen. Voor de zaal staat sociaal werkster mej. Rouwenhorst.


 

Dit schilderachtige tafereel, dat onze fotograaf in het Ambonezen-kamp te Well voordelens kwam, zou twintig jaar geleden in onze streek bekijks uit alle windrichtingen getrokken hebben. Maar nu de ambtenaren van de burgerlijke stand in landelijke plaatsjes als Tienray of Well of het wat steedsere Gennep tussen de Janssens, de van der Puttens en de Hendriksen ook honderden Lilipali’s, Wattimena’s en Litemia’s hebben ingeschreven in hun register, wordt het voor onze lezers mogelijk, op 7 September in het kasteel te Well te gaan rijsttafelen op zijn Ambonees. Wie er meer van wil weten, leest hieronder.

Toen enige tijd geleden een Duits journalist voor het eerst na de oorlog Nederland bezocht, schreef hij in een artikel over Venlo, dat hem daar behalve het koortsachtige ritme van de wederopbouw twee dingen bijzonder waren opgevallen: de bijna maniakale properheid der Nederlandse huisvrouw, die haar stoepje met nog groter angstvalligheid schoon houdt dan een kerkvader zijn ziel en op de tweede plaats was de Duitser tot de verrassende ontdekking gekomen, dat niet alleen Duitsland ’n „vluchtelingenprobleem” had. Wie immers op een zonnige Zaterdagmiddag op een Venloos terras gaat zitten en de voorbij wandelende winkelde mensheid beziet, zou niet zeggen, dat men Java en Bali en Ambon aan de andere kant van de aardbol moet . gaan zoeken.

Zo is het niet alleen in Venlo. Om in onze streek te blijven: ga naar Tienray, naar Gennep, naar Well en ge vindt er de verminkte kampongs terug, die, door een politieke van hun eeuwenoude bodem losgerukt, met dadeloze willekeur zijn teruggesmakt op het verkeerde moment, toen de aarde net een halve slag verder was gewenteld.

Een half jaar geleden zaten honderd Ambonese mannen, vrouwen en kinderen in ’n klooster te Pey te rillen van de kou: hun eerste winter in Nederland, Terwijl wij hier vergenoegd  onze winterjas in de kleerkast lieten hangen en de kwakkel winter te lijf gingen in een regenjas zat in een provisorisch en centraal (on)verwarmd kinderklasje in Pey-Echt de jeugd  Ambon te vernikkelen, tot de onderwijzeres het niet langer kon aanzien en de verkleumde kinderen naar de kantine zond. waar hun ouders, die ook alleen maar beschikten over zomerkleding, die ze in Rotterdam gekregen hadden, van ‘s morgens tot tegen bedtijd met hart vol heimwee zaten vastgekleefd aan de verwarming, die in dit vertrek tenminste wat uitstraalde. Den Haag beloofde winter onder- en bovenkleding. De onderkleding kwam In Februari (!). De beloofde bovenkleding is er nog niet.
Maar de winter bracht meer dan kou alleen. Sergeant-majoor Noya, een van de weinigen, die goed Nederlands spreekt, ondervond tot zijn sensatie, dat het waar was, wat men hem vroeger op de Nederlandse school  had geleerd: dat namelijk in Nederland de wind kon loeien. En bij de eerste sneeuw- en hagelbuien stormde alles naar buiten, om zoveel mogelijk van  die wonderlijke witte watten en die ijsknikkers te verzamelen en te bewaren als souvenir aan  Nederland. Wel vonden vele Ambonezen het nogal zorgeloos van die slordige Nederlanders, om al die dode bomen langs de  wegen en in hun tuinen te la ten staan. ,„Wij zouden ze al lang  hebben omgekapt”, zeiden de zonen van de eeuwig groene Gordel van Smaragd onder elkaar,  totdat ze op een dag in April tot hun verbazing ontdekten, dat  al die dode bomen weer begonnen te leven en zich opnieuw in ‘t vers groen staken.
Nu zitten deze honderd voormalige „kloosterlingen” van ' wie er vier Nederlands spreken al enige maanden in de barakkenkampong van Well. En ze zouden er voor geen geld ’ weg willen, tenzij om terug te gaan naar Ambon. Met de bevolking kunnen ze het goed vinden, voor zover ze daarmee in  aanraking komen en de waarde ring schijnt trouwens wederzijds te zijn.  Met het winkelen hebben ze geen last meer, zoals die eerste keer in Echt, toen geen van hen een winkel durfde binnengaan, omdat de deur niet open stond. Want in hun land hebben de toko’s geen deuren. En je valt toch zomaar niet bij wildvreemde mensen met de deur in huis. Eerst toen ze de ene huismoeder na de andere met boodschappentassen zagen binnengaan, glipten enkele stoutmoedigen behendig mee naar binnen. Natuurlijk blijft het wel wat lastig, als je evenmin Nederlands als Wells kunt spreken, ofschoon zo wordt gefluisterd diverse Wellse winkeliers al een aardig mondje Maleis beginnen te koeterwalen.

DRIE GULDEN PER WEEK 
Niet dat de Ambonezen nu bepaald in Well de winkeldeuren plat lopen. Winkelen immers kost geld en zelfs als je vrije kost en inwoning hebt, komt er heel wat wiskundekennis bij kijken, om met een gezin van zes personen rond te komen van zegge en schrijve 14 gulden in de week, vooral wanneer je op Java gewend was aan een maandsalaris van 1100 gulden. Toen rookte je sigaren en hield je diverse bedienden in een zonnige woning. Nu vereist het heel wat economische goochelarij om je in een Wellse barak de weelde van een pakje shag per week te kunnen veroorloven en de radiozegels te kunnen betalen voor de enige afleiding, die je gebleven is. En dan te denken, dat je royale pensioen van 21 dienstjaren in Indonesië geblokkeerd staat en je een week voor je vertrek van Java ƒ 10.000 aan spaarduiten moest opmaken, omdat je maar ƒ 900 mee naar Nederland mocht nemen. Van de twee of drie gulden, die ieder per week ontvangt, wordt elke week een aanzienlijk deel omgezet in zeep en tandpasta. Immers, de Duitse journalist zal zijn mening, dat de Nederlandse huisvrouw de properste ter wereld is, moeten herzien. Wie in Nederland neemt elke dag een compleet bad en wast elke dag zijn (desnoods versleten) lijfgoed? In de Ambonezenkampen hangen de waslijnen elke dag vol. De properste vrouwen ter wereld moet je gaan zoeken „onder de waringin” van Kampong Well: de Ambonese vrouwen met hun sarongs en hun witte tanden, die de zomer handwerkend doorbrengen op de primitieve banken onder een jonge eik, zoals ze eens gewend waren onder een eerbiedwaardige boom op een oud dorpsplein op Ambon of op Java.

Artikel uit Dagblad voor Noord-Limburg 27-08-1952.


 

In de middaguren van de eerste Maart 1942 stoven twee ronkende jeeps van het Koninklijk Nederlands Indische leger tussen de stille kamponghuizen van het landelijke Poerwodadi in het Rembangse. Na een zwenkende beweging stopten de lenige autootjes voor het telefoonkantoortje en een van de zeven ongeschoren militairen op wier vermoeide gezichten twee dagen zonder slaap en voedsel te lezen stonden sprong eruit en haastte zich ’t kantoor binnen. De achtste was aan de ingang van het dorp achtergebleven met de opdracht van zijn commandant, sergeantmajoor Noya, om bij onraad onmiddellijk te schieten, teneinde de zeven andere leden van de verkenningseenheid, die door het Japanse invasieleger van haar hoofdmacht was afgesneden, te waarschuwen. Over het zonnige dorp hing een loden rust: de onheilsvolle stilte, die voorafging aan de duistere nachtmerrie, welke dieper over de Archipel neerzonk, naarmate het bloedrode schijnsel van de Rijzende Zon boven de horizon steeg. Vergeefs trachtte majoor Noya verbinding te krijgen met zijn hoofdkwartier. Er kwam geen antwoord. Was de lijn onklaar ? De telefoon zweeg en de zwoele stilte in ’t gebouwtje werd slechts verbroken door het vage geronk van automotoren buiten. De jeeps, dacht Noya de jongens hebben honger. Met een vermoeid gebaar legde hij de hoorn weer op de telefoon en ging naar buiten. Breek de noodrantsoenen maar open, zei hij neerslachtig en bemerkte toen tot zijn schrik, dat het motorgeronk, dat hij hoorde, niet afkomstig kon zijn van zijn twee jeeps. Het naderde uit de verte en werd steeds sterker. Aan de ingang van ’t dorp, waar hij zijn wachtpost had achtergelaten, hing een nevel van stof boven de weg. En was het verbeelding, of hoorde hij boven het deinende gebrom, dat daar het dorp binnen kwam kruipen, ’t gekrijs van vreemde hoge stemmen? Noya gaf zijn manschappen bevel, zich met spoed in het dorp in veiligheid te brengen. Zelf bleef hij achter, maakte met nerveuze vingers de wapens onklaar en verdween toen onder een paalwoning. De vreemde stemmen werden luider en daar stoven reeds de eerste Japanse legerwagens voorbij. Zij stopten. Vanuit de schemer van zijn lage schuilplaats zag Noya in het helle daglicht de geüniformeerde benen van roepende en gebarende Japannezen door elkaar bewegen. Ze liepen naar de jeeps, betastten de radiator die nog warm moest zijn. Nu hebben ze me, dacht Noya en dook nog verder weg, terwijl tientallen kleine gele soldaten uitzwermden over het dorp op zoek naar de inzittenden van de Nederlandse jeeps. Bevende dorpsbewoners werden erbij gesleurd, maar niemand had de blanda’s nog gezien. Het uitzicht werd Noya ontnomen door twee met puttees omwonden benen, vlak voor zijn schuilplaats en toen staarden plotseling de glinsterende ogen van een omgekeerd Jappengezicht hem aan. De Jap gilde, wilde schieten, maar werd dooreen officier opzij geschopt. De handen omhoog kroop Noya te voorschijn. Hij werd ontdaan van zijn wapens, polshorloge en ring en een tolk gelastte hem, de karabijn-mitrailleur van de jeeps te ontladen De straat was vol Japannezen, honderden, misschien wel duizend. Ik ben maar gewoon betaalmeester, zei Noya. ik kan eigenlijk niet met wapens omgaan. Terwijl tientallen Japannezen aandachtig samendromden voor de jeeps, nam Noya de patroonbak eraf en wenkte het gele publiek, opzij te gaan. Maar de Jappen grijnsden eens en haalden hun schouders op. Noya, die sinds de kaderschool het hele K.N.l.L. arsenaal op zijn duimpje kende, wist, dat er altijd enige patronen bleven zitten, wanneer men de patroonbak er afnam. Hij zette de handpal vrij, de rustpal naar beneden en gaf vuur: zeven Japannezen stortten dodelijk getroffen neer voor de wielen.

SCHONE DROOM. 
Als dezelfde Nippon-officier niet tussenbeide was gekomen, was Noya daar op de plaats aan de made-in-Japan bajonetten geregen. Nu werd hij met de handen op de rug aan een fiets gebonden en in snelle vaart ging het voor een eerste verhoor naar het Japanse hoofdkwartier twee kilometer verder. Het werd een hoffelijk maar gevaarlijk steekspel van woorden tussen de glimlachende Oosterling uit Nagasaki en de vriendelijke Oosterling uit Malang, hetgeen echter voor de laatste tenslotte uitliep op een pak ransel en krijgsgevangenschap, voorlopig in de verlaten woning van een B.P.M.- employé. Tegen de avond kwam een Japans officier Noya en zijn medegevangene de wachtpost, die te Poerwodadi overrompeld was, eer hij een waarschuwingsschot had kunnen lossen twee blikjes melk, ’n slof sigaretten en Japanse noodrantsoenen brengen en ’t tweetal tevens verlof geven, om de nacht buiten door te brengen op de veranda. Het zal wel altijd een mysterie blijven, waarom deze Japanner beide mannen kennelijk met opzet de kans gaf te ontvluchten, al voegde hij eraan toe: Als je vlucht wordt je doodgeschoten. Om twee uur in de nacht, toen de Nippon-schildwacht zijn honderd meter op en neer liep, slopen de beide gevangenen weg. In een kampong kreeg Noya burgerkleren: een korte broek, een baadje en een hoed. Die nacht liep hij door in de richting Malang waar zijn gezin woonde. In de slapende kampongs hingen verse Japanse plakkaten: 100 GULDEN BELONING voor de uitlevering van iedere blanda. Noya vond het veiliger, overdag te slapen en ’s nachts te reizen. Maar toen hij de volgende middag met zijn hoedje op zijn gezicht ontwaakte uit een diepe slaap op de sawah in de schaduw van een boom, hoorde hij het geroezemoes van stemmen om zich heen: de dorpsbewoners hadden de plakkaten ook gelezen en wilden honderd gulden verdienen. 
Het eerste wat Noya bij zijn gedwongen terugkeer op het Japanse hoofdkwartier zag, was de gele schildwacht van de vorige nacht. De man hing bewusteloos met handen en voeten aan een boom gebonden. Weer eenzelfde verhoor, minder vriendelijk en gevaarlijker. En dan werd de gevangene op het stoepje gezet vaneen sjieke B.P.M.-soos. Een generaal verscheen in de deuropening, brabbelde wat keelklanken en ging terug naar zijn whisky. Wat hij gezegd had, begreep Noya pas, toen er ’n vuurpeloton van vier soldaten werd opgesteld en de tolk hem vroeg: Ben je niet bang? Noya wist, dat angst hem niet kon redden en daarom antwoordde hij laconiek: Niemand kan mij bang maken, alleen maar blij. Men gebood hem tien stappen vooruit te doen. Bij de vijfde stap werd hij teruggeroepen. Weer dezelfde vraag: Ben je niet bang? Weer hetzelfde antwoord. 
Even plotseling als ze begonnen was, werd de sinistere vertoning toen weer afgelast. Nogmaals verscheen de generaal op het stoepje brabbelde wat en de ongelovige Noya kreeg zegge en schrijve 1 Japans dubbeltje („Dat is nu heel veel waard, want wij zijn de bevrijders”) en een briefje, dat hij vrij was en dat alle Japanse instanties hem behulpzaam moesten zijn. Als in een schone droom ging Noya ten tweede male op pad in de richting Malang. Hij hield een Japanse colonne aan, toonde zijn toverbriefje en kreeg een koek, een slof sigaretten en een pak lucifers toegeworpen. De droom was echt! Hij was werkelijk vrij en spoedig zou het nu een blij weerzien zijn, ginds in Malang.

NACHTMERRIE.
Maar schone dromen duren niet lang en verkeren soms zelfs in een nachtmerrie. De nachtmerrie begon om 4 uur in de morgen van de 17e Maart en werd ingeleid met gebons op de huisdeur van de familie Noya in Malang. In zijn zenuwachtigheid greep Noya in plaats van zijn kamerjas de kimono van zijn vrouw en opende de deur. Japanse officieren en Indonesische politie grepen hem vast en zonder ’n woord met zijn vrouw te kunnen wisselen werd Noya in kimono op een overvalwagen geladen, waar hij twee kennissen aantrof. De wagen reed van het ene huis naar het andere en het angstige vermoeden van de drie eerste gevangenen werd al spoedig bevestigd: de illegale groep van Overste Stein van Hensbroek was verraden. Met veertig gevangenen reed de vrachtwagen tenslotte naar de gevangenis en onophoudelijk kwamen er nieuwe volgeladen vrachtwagens binnenrijden. De groep van zeshonderd man was vrijwel geheel opgerold. Zij werden allen afzonderlijk in een cel van 1,5 bij 2 meter opgesloten en voor Noya, die tot dusver de Japannezen niet van hun slechtste kant had leren kennen, zou nu spoedig het moment aanbreken, waarin alleen al de kille klank van het vreesaanjagende woord Kempeitai hem zou doen huiveren.
Die eerste morgen werden de gevangenen een voor een naar de verhoor cel gebracht. Een Kempei-officier zat achter een tafel en naast hem stonden zes Indonesische handlangers met zwepen, knuppels en koorden als de lugubere attributen van het verraad. Noya moest buigen voor de Japanees en voor hem op de grond gaan zitten. Draai je om en kijk! werd hem bevolen. Noya volgde de blik van de officier naar de tegenovergestelde muur. Toen laaide voor zijn verbijsterde ogen de helle nachtmerrie op, die hem zes maanden geen rust zou laten, zes maanden zonder onderbreking, elke dag opnieuw, 180 dagen aan een stuk, want de Kempei kent geen rust, de Kempei kent geen Zondag. Aan de muur tegenover de Japannees hingen drie bewusteloze en met bloed bedekte vrouwen, met een koord om hun op de rug gebonden polsen opgetakeld tegen het plafond: twee blanken en een Indonesische. Noya werd weggeleid naar zijn cel. 
De tweede morgen begon ’t verhoor, het eindeloze verhoor, elke dag hetzelfde en toch elke dag met nieuwe wrede verrassingen en plotselinge wendingen, martelingen en zoetsappige vriendelijkheid: beken nu maar, dan ben je vrij beken je niet. dan zul je hangen en reeds voelde Noya zich met een vlammende pijn door polsen, armen en schouders omhoog gehesen, nu eens strak tegen het plafond, dan weer zo laag, dat hij met moeite op zijn tenen kon rusten tijdens deze dagelijkse foltering van anderhalf uur. Weer een andere maal werd hij opgehangen achter de deur en werd ’t koord via een katrol aan de deur bevestigd. Dan bedreven de Kempei-mannen hun harteloos spel, door de deur bij het binnenkomen los te laten, zodat de geradbraakte gevangene als een blok tegen de grond sloeg en bij het uitgaan krachtig dicht te trekken, zodat hun machteloos slachtoffer met het hoofd tegen het plafond vloog. En toen Noya hardnekkig bleef ontkennen en tevens zijn vriend en medegevangene van Room trachtte vrij te pleiten, werd ook het geheimzinnige kastje, dat hij nog nooit eerder had zien gebruiken ingeschakeld: ’n elektriseermachine, waarvan hem een pool in de mond gestoken werd, terwijl hij aan zijn kapotgescheurde polsen hing. In de cel ontwaakte hij dan weer uit zijn bewusteloosheid, ziek, en de schaarse gevangeniskost, gestampte mais, uitbrakend. En intussen groeide het aantal wonden op zijn benen tot levenslange littekens: roestbruine vlekken van gloeiende sigarenpunten en ronde lichte cirkeltjes van Japanse sigaretten: het dagelijks vermaak der Kempei-officieren, waarbij het slachtoffer verstandig deed onbewogen te blijven, om herhaling te voorkomen. Beken nu maar. Als je niet bekent...... en Noya werd op zijn blote knieën in een bak scherp steenslag geplaatst met inde knieholten een stuk spoorrails, waarop twee Kempei-mannen gingen staan, terwijl het verhoor werd voortgezet. Een andere morgen kreeg hij sigaretten: Je zult wel honger hebben, nietwaar? De tafel werd gedekt: belegde broodjes met melk en sigaretten na. Beken je nu, werd vriendelijk gevraagd. Nee? Hangen! Ranselen tot je er ziek van wordt en braken moet en weer met een lege maag in de cel wordt gestopt.

GRAUW ONTWAKEN. 
Het ergste is majoor Noya bespaard gebleven. Op de laatste dag van de zes verschrikkelijke maanden moet hij toezien hoe een gebonden Chinees met een brandslang vol water wordt gespoten, tot het hem uit oren en neus spuit, waarna twee mannen zijn gezwollen lichaam met een wipplank weer leegpersen. Morgen ben jij aan de beurt, krijgt Noya te horen, maar diezelfde dag komt een Indonesisch gevangene, die het eten rondbrengt hem vertellen, dat van Room bekend heeft en Noya zoveel mogelijk heeft vrijgepleit. Dan geeft Noya zijn tegenstand op, maar hij weigert zijn duimafdruk onder een Japans proces-verbaal te zetten en eist een proces-verbaal in het Maleis, dat hij tenminste lezen kan. Het antwoord is de zweep, maar hij houdt voet bij stuk en krijgt tenslotte zijn zin. Allen die na hem komen krijgen een Maleis proces-verbaal, dat zij zelf kunnen controleren, alvorens het te tekenen en worden zoals Noya veroordeeld tot levenslang of tot minder. De zestig, die vóór hem hun duimafdruk op de in het Japans gestelde stukken hebben gezet zijn na een plotselinge feestmaaltijd, die zij ten onrechte voor hun vrijheidsmaai in plaats van hun galgenmaal hadden aangezien, stuk voor stuk onthoofd of opgehangen.
Als enige jaren later in de gevangenis „Soeka Miskien” in Bandoeng de veroordeelden, onder wie een vermagerde Noya, al vaker moeten aantreden met het gezicht naar het Oosten „om de dappere Japanse slachtoffers van de oorlog te herdenken” weten zij, dat de bevrijding nadert. Maar elke dag wachten is er een te veel en elke dag begraaft Noya met zijn doodgraversploegje drie doden. Ook zijn vriend Backhuys (broer van de voetbalinternationaal) haalt de bevrijding niet meer. In het lege graf dat hij zelf gegraven had en vol water had laten lopen voor de kikkers, die aan stokjes geregen een lekkernij vormden voor een lege maag, werd Backhuys met zijn door hongeroedeem gezwollen benen zelf begraven. Toen, bij de Japanse capitulatie, kwam Noya vrij. Het duurde nog bijna drie jaar, eer hij zijn vrouw en kinderen in Malang terugzag.
Als sergeant-majoor Noya de bronzen medaille van de FIWI achteloos weer tussen de kaartjes stopwol stopt en even over de naaidoos gebogen blijft staan, valt het ons op, dat zijn haren grijs zijn. De enige grijsaard in dit woonoord van zwartharige Ambonezen. Een grijsaard van nauwelijks veertig jaar.

Artikel uit het Dagblad voor Noord-Limburg 30-08-1952.

Johannes Ferdinand Albert Charles (John) Noya *Djakarta 28-06-1910 †Venlo 03-03-1990.


 

Dagblad voor Noord-Limburg 01-09-1952


 

Deze uitvoering van Ambonese cultuur, zoals zang- dans en spel alles in originele klederdracht heeft de volle zaal een beeld gegeven van de hoge Ambonese beschaving, waarin naast Oosterse, duidelijk Westerse invloeden, vooral Spaans-Portugese te bespeuren vielen. Na de opening door dr. Gerard Smals, die zijn voldoening uitsprak over de volle zaal, waardoor het riskante van de opzet werd weggenomen, werd door een Ambonees kinderkoor het Wilhelmus in het maleis gezongen, gevolgd door het Molukse volkslied. Reeds de manier van voordragen van deze volksliederen gaf een gunstige indruk van de ontwikkeling der Ambonezen. Het verdere programma werd toegelicht door de voorzitter van de kampraad uit Vught. Tussen de bedrijven wist een Hawaii band ’t gehoor te boeien. Dat het militaire bloed der Ambonezen ook in het jonge geslacht aanwezig is, bewezen een aantal acht tot tienjarige jongens, die een nummer perfecte geweergymnastiek lieten zien. De zgn. Zakdoekendans die in Ambon alleen uitgevoerd werd bij de ontvangst van de hoogste autoriteiten werd het publiek getoond. Deze dans stond in schril contrast met de volgende, een oeroude krijgsdans waarbij rhymes en gebaren van het ene uiterste in het andere over gingen. Een typische dans vormde ook de Vrouwendans, die slechts uitgevoerd werd bij ontvangst van de hoogste inlandse hoofden. Slechts eenmaal werd deze dans aan vreemden getoond, nl. aan prof. Romme in 1949 in aanwezigheid van alle Ambonese hoofden. Het visserslied was wel een van de beste nummers. Ter verduidelijking werd het publiek meegedeeld dat de Ambonees van huis uit visser is. Beweerd werd verder dat het spelevaren niet alleen in Venetië werd uitgevonden, maar dat de Ambonees in deze zijn recht evengoed kan laten gelden. Aanschouwelijk werd een rondvaart op een kalme baai uitgebeeld in een gondel met lampions verlicht onder een strakblauwe Indonesische maanhemel. Blijkbaar zijn de Ambonese wateren zeer visrijk want tijdens deze rondvaart werd menig visje gevangen. Na nog enkele zangnummers werd dit Ambonese folkloristische programma gesloten door de voorzitter van de kampraad die hoopte dat door dergelijke programma’s begrip en samenwerking mochten gekweekt worden tussen de Wellse bevolking en de Ambonezen. Na afloop gingen velen rijsttafelen in de in Ambonese sfeer herschapen kelders van het kasteel Well waar Ambonezen voor de muziek en de bediening zorgden.

Dagblad voor Noord-Limburg 10-09-1952


 

Een drama voltrok zich op maandagavond 6 september 1954. De schok in de omgeving was groot, ook bij de bewoners van Kamp de Oude Molen, zeker toen bekend werd dat een medebewoner de dader was van de moord op de 33 jarige mevrouw An Lenders-Janssen uit Wellerlooi. 

 

11-09-1954.

De landelijke pers schreef veel over het misdrijf.  De Roermondse rechtbank had de dader, die de moord bekende, tot acht jaar gevangenisstraf plus ter beschikking stelling van de regering veroordeeld. Bij de Rechtbank in Den Bosch werd 15 jaar geëist, maar de straf werd uiteindelijk 12 jaar met aftrek van voorarrest.


 

Het Ambonezenkamp, zoals het in de volksmond werd genoemd.

Eerder was het een Arbeidskamp van de N.A.D. voor jonge mannen met een abeidsdienstplicht, die onderdrukt werden door de NSB. Daarna bood het onderdak voor meer dan 100 bouwvakkers uit het hele land met de wederopbouw van Well. In 1950 -1951 was het vakantiekamp 'Het Vierde Prinsenkind' en kwamen er jonge oorlogsslachtoffertjes naar de Wezerweg voor een fijne vakantie.


Maquette van het kamp "Oude Molen", in 1995 ontworpen door Bram Tuny.

Barak A  Beheerdersbarak: Dhr Spits, daarna Dhr. Velemans 

Barak B  Gedeelte Dokterspost: Families J. Wenno en M. Gaspersz

Barak C: Families  M. Rutumalessy - J.A.P. Noya - P. Papilaja en J. Nahumury

Barak D: Families O. Sitaniapessy, daarna Lelemahulu - J. Tanasale - F.C.H. Ferdinandus - J. Ferdinandus - A. Tuapattinama - J. Timisela - E. Timisela en F. Tahalele.

Barak E: Families J. Abraham daarna D. Ralahalu - E. Ginsel - H. Isaac - Imsula - A. Wattimena - J. Noya, daarna J.Tuny - M. Tanasale - Gaspersz - R.Talaut -  D. Unawekla -  A. Djerlauw - J. Renjaan -  E. Latuheru en Dhr. Z. Unawekla.

Barak F: Badhuis  Barak G: Gaarkeuken

Barak H:  Dhr. J. Layan (dominee), daarna familie  P. Ralahalu (dominee) - Families B. Pessy - J. Latuhihin - B. Sinay - G. Noya - Z. Supusepa - W. Pesulima - Tehubijuluw (ziekenverzorger) 

Barak I: Clubhuis-school / Kerk  Barak J:  Elektriciteitshuisje


 

Coba - Juul - Jopie en Ietje Tanasale bij de kerststal van Dr. Gerard en Claar Smals onder aan de Molenberg. 


 

1954. Wellenaar Mich Simons op bezoek bij de familie Willem (Wim) en Hanna Pesulima - Sitania. Later verhuisde het gezin naar Cuijk.


 

Uit de krant van 19-05-1956.


 

Uit de krant van 04-12-1956.


 

De namen van bovenstaande foto's zijn bij de webmaster helaas NIET bekend. Weet jij meer? Onder vermelding van Oude Molen en het nummer van de foto s.v.p. ►HIER◄ doorgeven.


 

o.a. Wim en echtgenote Hanna Pesulima, de dames Gensil - Pessy en Unawekla.


 

De Heldro ijsjes van de ijscoman Jeu van Opbergen vallen ook bij de Wellse Molukkers in de smaak!


 

Uit de krant van 23-11-1962.


 

Familie Gaspersz


 

De Kerkraad. Voor zover bekend zijn dit v.l.n.r. staand nr. 5 Joop Wenno en nr. 7 M. Rutumalessy (met gezangboeken). Zittend  NN - predikant J. Layan en mevr.Tanasale. 


 In de Molukse woonoorden en later in de woonwijken, drukte de kerk een belangrijk stempel op het sociale leven binnen de gemeenschap. Binnen een gemeenschap namen de pendeta, de predikant, en de badan madjelis, de kerkraad, een belangrijke plaats in. Kerkelijke feestdagen zoals Kerstmis vormden een hoogtepunt in het leven van plaatselijke gemeenschappen. De pertjakapan, de kerstspelen, waren daar een onlosmakelijk onderdeel van.

Kersttoespraak door oom Joop Wenno.


Uit het album van de familie Tanasale.


 

Uit de krant van 01-02-1963.


 

V.C. Tornado kampioen in 1964.
Bovenste rij v.l.n.r. Rietje Klabbers - Zus Hagens - Pieter Papilaja - Rena Smits - Annemie Klabbers - Riek Jacobs - Sophie Lenssen - Gerda Klabbers - Thijs Tanasale - Mia Coppers - Hannie Noya en Peter Noya. Gehurkt:  Fien Coppers - Minni Krebbers - Arnold Ferdinandus - Joop Wenno. Zittend:  Marian Kwanten - Mesach Gaspersz - Gerda Smits - Martinus Sitaniapessy - Jo Janssen - Bram Tuny - Zach Talapessy. Liggend: Baso Latuhihin en Pieter Pesulima.


 

Na en Wim Pesulima en de kinderen Simon en Minggus Pessy.  Rechts: Andreas Ralahalu


 

The Sunny Boys in zaal Klabbers, Grotestraat.

Leden van de band: Frans Ferdinandus (gitaar) - Nino Latuny (gitaar) - Arnold Ferdinandus (basgitaar) - Martinus Sitaniapessy (drums) en Pieter Pesulima (zang)


 

In 1969 vertrok de familie Ferdinandus als laatste gezin uit woonoord Oude Molen en ging naar Venlo. Daarna werden alle barakken afgebroken.


Reünie Vollybalclub 1984 in zaal Walaria.


 

Reüniefoto uit 1985 bij het Leukermeer met de 1e generatie ouders die in Well woonden.


05-10-1999. Te gast op het 25 jr. huwelijk van Jacques en Fien Dechamps-Coppers.


 

Feest, plaats en jaartal onbekend.


 

Uit weekblad Grens en Maas mei 2008.


 

Uit weekblad Zondags Nieuws in mei 2008. 

(Voor degene die het niet weet: Die meelboer is Toon Vink)


Reünie 2008 uit het familiealbum van Liena Rutumalessy.


Onderstaand album is van de gezellige reünie op 18-06-2011 in zaal Onder de Linden te Well en op de Filia Mosae met een rondvaart over de Maas. Foto's MaTiKo


Op verschillende plaatsen in Nederland herdachten Molukkers in 2011 de aankomst in Nederland van de eerste generatie in 1951. 

In 2013, ruim zestig jaar na de komst van de eerste Molukkers naar Well, werd dit feit door de bewoners van "Oude Molen" en hun nageslacht in MFC De Buun herdacht. 

De Molukse vierkleur hing op 25-05-2013 in Well.


 

Hier in Well werd bij de ingang van het voormalige Woonoord "Oude Molen", het begin van één van de vele wandelroutes van Limburgs Landschap, een paneel geplaatst om de eigen Molukse geschiedenis en de herinneringen aan de goede contacten met de bewoners van Well levendig te houden voor de volgende generaties. 


 

Jong en oud stond op de plek waar menigeen van de aanwezigen is geboren.


 

Er werd deze dag 25-05-2013 door de Ambonese gemeenschap en het Limburgs Landschap afgesproken om een blijvend kunstwerk te gaan plaatsen. 


September 2020. Monument 'Vriendschap'.

Norbert Simons woonde voorheen in het Elsteren, waar hij en zijn vrouw het 'World art house' hadden. Deze kunstenaar is alles bij elkaar ruim vijf jaar bezig geweest om zijn idee van een vriendschapsmonument te kunnen verwezenlijken. Achterliggende gedachten van dit monument in de vorm van een stenen bank, is de geschiedenis van de Wellse Molukse gemeenschap. De bank symboliseert de reis die de oude KNIL militairen en hun families maakten toen zij met boten vanuit Ambon vertrokken en uiteindelijk in Well terecht kwamen in het woonoord 'Oude Molen'. 

Het was de bedoeling dat het monument op zaterdag 24 oktober 2020 officieel zou worden onthuld op de plaats waar vroeger de noodwoningen stonden onder bijzijn van enkele oorspronkelijke bewoners en hun nazaten. Maar deze feestelijkheden konden niet doorgaan i.v.m. de coronacrisis. Het monument "Vriendschap" is in alle stilte geplaatst.


 

 Op zaterdag 21-05-2022 werd alsnog dit monument onthuld  Hierbij waren oud-bewoners, hun familie, bekenden en verschillende Wellenaren aanwezig.

Voorafgaand aan de onthulling zijn er door 'Maasland Radio' interviews gehouden en ook de onthulling is gefilmd. Kijk en luister naar de herinneringen die o.a Martinus Sitaniapessy heeft aan de periode dat de Ambonezen in Well woonden. Met dank aan André en Miranda Bruns.

Deel 1 het interview en deel 2 de onthulling en het laatste deel 3 zijn via de link op Youtube te zien.


WEET JIJ MEER OF HEB JE FOTO'S ? GEEF HET DOOR!