Zoek

Sint Vituskerk in de Hoenderstraat anno 1958

Het vierde kerkgebouw in de Wellse historie

Verslag over 1950 in het Dagblad voor Noord-Limburg van 05-01-1951.


 

Pastoor Reiné stond na de Tweede Wereldoorlog voor de zware taak om genoeg geld bij elkaar te krijgen voor een nieuwe kerk. Het gaf hem veel voldoening toen bleek hoezeer zijn parochianen hem de helpende hand toestaken.

Na veel geld inzamelen via donaties en acties, waaronder de Vituskermis, werd in juni 1956 gestart met de bouw van de Vituskerk in de Hoenderstraat.  Het heeft enkele jaren geduurd voordat beslist werd waar de nieuwe kerk zou komen. Opties waren ook nog het terrein van de oude kazerne in de Grotestraat en pastoor Reiné heeft ook nog het plan gehad om ze op de kasteelgaarde te bouwen. Tegenstanders van al deze plannen en van het plan om ze in de Hoenderstraat te bouwen vonden dat de oude kerk aan de Maas herbouwd moest worden, zij het wat groter van omvang met een uitbouw naar de Grotestraat, die dan iets verlegd zou worden. Onder hen die de kerk aan de Maas wilden opbouwen was burgemeester Douven, maar hij heeft zijn streven niet in vervulling zien gaan, hij stierf plotseling op 12 november 1950.

De nieuwe kerk in de Hoenderstraat bouwde men in Romaanse stijl, ontworpen door architect Jan Ramaekers. Hij ontwierp eerder de  Hubertuskerk Blerick en de St.Oda in Weert-Boshoven. Tenslotte bouwde hij nog onze Sint Vituskerk, die overigens een uitgewerkte kopie is van de kerk in Blerick. Hij gebruikte het boek Sanctuaires Chrétiens de Syrie, van Jean Lassus en de afbeeldingen van deze vroegchristelijke kerken als inspiratiebron. Mede hierdoor lijken zijn kerken sterk op elkaar.


 

Een maquette van de te bouwen kerk werd gedragen door het Sint Vitusbeeld in de nis op Grotestraat 34.


Kerkfonds - Vituskermis:

De grote promotor van de Vituskermis was de Wellse huisarts die op de Molenberg woonde: dokter Gerard Smals. Door zijn persoonlijke medewerking werden deze jaarlijkse feesten een financieel succes.

In 1951 was het 25 jaar geleden dat het grote schuttersfeest van het St. Antoniusgilde was gehouden i.v.m. het 500 jarig bestaan in 1926. Minister Leo Peters, geboren en getogen in Well, opende ook die dag in juni de eerste Vituskermis sinds lange tijd. Met attracties van allerlei aard en met medewerking van alle buurtschappen en veel verenigingen werden hier goede zaken gedaan ten bate van het kerkfonds.

Op deze manier werd jaarlijks met de vele acties en collectes zoveel geld bij elkaar gebracht dat pastoor Reiné nog eerder dan hij gedacht had aan de bouw van de nieuwe kerk kon beginnen. 

Antwoord van oud Wellenaar Leo Peters aan pastoor Reiné.


De Vituskermis van 1951 was groot nieuws in de pers. De kranten brachten mooie verlagen uit.

Minister Leo Peters doet een poging maar de Kop van Jut weerstond Kerk en Staat.


 

In de kelder als het K.R.O. orkest 'De Bietenbouwers' even pauze heeft.


 


 

1951. Kraam op de Vituskermis van de Kajotters met Roel Hendrix.


Men schreef: De eerste St. Vituskermis bracht de som van ruim ƒ 6300,- op en is voor 100 ‰ geslaagd, ook wat betreft de samenwerking van de parochianen.

Vituskermis op 15-06-1952


 

1952. Veel verenigingen werkten mee en verzonnen van alles aan activiteiten of koopwaar in hun kraampje om aan geld te komen voor de nieuwe kerk.


 

Dagblad voor Noord-Limburg 01-09-1952. Ook de Molukse gemeenschap van Well deed mee aan de kerkactie.


 

Dagblad voor Noord-Limburg 28-05-1953.


 

Peel & Maas en Dagblad voor Noord-Limburg 17-06-1953


Onderstaand interview was met Frans van Dooren uit de Grotestraat.

Een jaar lang waren wij onze wegen gegaan en Francois de zijne. Hij was nog iets dikker en gezelliger geworden, naar het ons voorkwam, ofschoon hij klaagde, dat het steeds meer inspanning kostte om wat te verkopen. Een jaar lang had hij in een onder zijn gewicht en dat van een halve winkel textielgoederen kreunend autootje de streek doorkruist van Wanssum tot in de verboden gebieden onder Siebengewald en was hij als een rijke maharadja bij de meest in de afzondering gelegen bedoeningen verschenen, de laatste nieuwtjes en grappen uit het dorp op de koop toe leverend. 
 François had zich een gemakkelijke houding aangedaan. Zijn buik was als een mollige heuvel met zachte plooiingen aan de voet en terwijl hij het over de plagerijen had, waarmee een eerlijke Christen-handelaar in het grensgebied door de douane het leven lastig wordt gemaakt, deed hij denken aan een reusachtige ketel theewater, die aan de kook is en waarvan het deksel kleppert. Hij had het over invoerboeken, waarin hij alles moest noteren, wat hij inde „verboden strook” sleepte, maar het fijne ervan ontging óns omdat de dag te goed was om zich in te spannen op de listen en lagen waarmee de ambtenarij onschuldige kooplieden poogt te vangen. Toen hij tot rust gekomen was, zeiden we, dat hij er in ieder geval naar het uiterlijk te oordelen, weinig onder geleden had, en dat hij er welvarend uitzag.

 VLUCHT VAN DE HOMMEL
 François wuifde met de zachte kussens van zijn handen ten teken, dat zijn dorst naar nieuwe lafenis snakte en staarde bewonderend naar de kleine boot van de Rivierpolitie, die op dat moment een zog van wit woelend water langs de Wellse kusten trok. „Hij gaat bijna zo hard als m’n straaljagerboot" zei hij met ’n volle lach, „weet je nog?” 
Wij herinnerden het ons. Een massa volks aan de Wellse en aan de Wanssumse oever om de eerste raceboot met straalmotor de wateren van de Maas te zien doorklieven. 
François had toen de smaak te pakken gekregen. Het volgende jaar tegen 1 April had hij opnieuw een verhaal ingezonden.
 Een onwaarschijnlijk verhaal over de Wellse Putjesberg, waaruit zich plotseling een waterstroom had vrijgemaakt, die de gehele dalkom tussen twee heuvelrijen blank had gezet als in een tweede Tignes, waarover in die dagen veel geschreven en gesproken werd. 
Het was te fantastisch om voor April mop te kunnen doorgaan, maar wij hebben het stuk al die jaren bewaard, omdat François er heel zijn wezen in neergelegd had. Kimsky Korsakoff had op deze tekst zijn „vlucht van de hommel’- kunnen schrijven, zo hij François en de Nederlandse taal had gekend, zo plezierig ronkend als iets of iemand maar kan zijn, die hoewel zwaar zich toch op vleugelen heeft verheven François nu bad op de wieken van het dichterschap een verbeelding rijke vlucht van Venlo naar Well gemaakt en beschreef zijn indrukken als volgt: „Als men per auto, bus of fiets een reis maakt van Venlo naar Nijmegen, dan passeert men een aantal dorpen, die wat natuurrijkdom betreft, niet veel voor elkaar onderdoen. Achtereenvolgens doemen voor uw ogen op de aan natuurschoon zeer rijke plaatsen Velden, Lomm en Arcen. Even snel als zij aan de horizon zichtbaar werden, verdwijnen ze weer uit uw gezichtskring en lossen op in de achter u steeds groeiende verte. Dan passeert men inde omgeving van de Hamert een geweldige uitgestrektheid van heerlijke dennenbossen, heidevelden en struikgewas, die het eldorado is vaneen menigte hupse, kwieke en knaagzuchtige konijnen. Vele late reizigers genieten van de onnozele dartelheid dezer pluimstaarten als zij de levenslustige springers inde stralenbundels der autolampen ontwaren. De eenzame lange weg, geflankeerd door de flora van een weelderige zandgrondvegetatie brengen u inde waan te rijden overeen goed onderhouden weg in de oerwouden van Afrika of Zuid-Amerika. Een ontmoeting inde schemering met een wild zwijn, ree of verdwaald rund, zou deze gedachte nog kunnen versterken. Bereikt men de bewoonde wereld weer, dan constateert men, dat het plaatsje Wellerlooi ineen halve minuut tijds gepasseerd wordt. Enkele huizen, een paar winkels, de kerk en men nadert alweer de volgende nederzetting. En dit is de plaats, waarover u in dit verhaal enige bijzondere dingen verteld zullen worden’’.

 HET ONVOLMAAKT GELUK 
Gelijk de ziel van een ongedoopt kindje boven de Peel was dit geesteskind van François in de vergetelheid blijven zweven. En nog was er deswege enig licht verwijt in zijn stem. „Ge had het moeten plaatsen”, zei hij. De dag was veel te mooi om zich in te spannen tot een college over de eisen, waaraan ’n Aprilverhaal behoort te voldoen, de vlieren geurden overdadig en bedwelmden het verstand met een zoete verdoving, zodat wij alleen maar van het leven genieten wilden als een hommel, die zich dronken drinkt aan geurige nectar, maar nimmer honing aandraagt voor vrienden en familieleden Nochtans ,het trouwhartige gezicht van Frangois ontroerde ons. „Ge zijt gelukkig in Well en aan de Maas te wonen,” zeiden we. Frangois blies een machtige zucht uit, want het begon* warm te worden inde zon en blijkbaar begon het in hem te stomen. „Gelukkig zijn wij pas, als de nieuwe kerk er is, maar dat is nog een grote zorg,” zei hij en keek met weemoed naar de rijen uit het puin geviste stenen onder de zachtjes ruisende populieren, waar eeuwenlang de oude kerk had gestaan en waar François ’t liefst ook het nieuwe Godshuis zag verrijzen, want hij behoort tot de conservatieven, hij en de veerbaas en alle Maaskanters, die ongaarne de Heer naar een dichter bij de Rijksweg en meer centraal in de parochie gelegen woonstee zien verhuizen. „De bisschop wil eerst 60.000 gulden op tafel zien, voor we mogen bouwen en begin daar maar eens aan met niet meer dan 340 merendeels arbeidersgezinnen.”

 DRIE DAGEN KERMISVOLK 
Ge gaat dus weer een St. Vituskermis houden ten bate van de kerk? „Ja,” zei François, „we hopen de pech van verleden jaar, toen het zulk afgerazend slecht weer was, er deze keer dubbel en dwars uit te slaan. Veel gepraat is er niet voor nodig geweest. De hele bevolking doet weer mee en ook vele Wellenaars in den vreemde, die hun geboortedorp nog niet vergeten hebben, zoals die slager in het Zuiden, die ook de vorige malen al gratis de knakworsten voor bij de frites geleverd heeft.” De eerlijke Christen-koopman werd over François vaardig. „Als ge dan niet m’n stukken in de krant wilt zetten, plaats er dan tenminste in, dat we duizend flessen wijn hebben besteld, dat er op de binnenplaats van het kasteel weer allerlei attracties zijn om het geluk op de proef te stellen, alsmede koopkramen voor hen, die door het geluk in de steek gelaten worden. Dat er als nieuwigheid een toepkamer in een der kasteelvleugels is ingericht en dat in de gevangenistoren een waarzegster komt, die met ere de profetenmantel draagt. Dat ge iedere dag met een varken aan een touw achter U aan naar huis kunt komen, vermits ge de loterij steunt' en dat niemand spijt behoeft te hebben naar Well te zijn gegaan.” Gij staat daar borg voor met Uw reputatie? vroegen wij. „Jawel” beaamde François met een machtige hoofdknik, „ik en de dokter en de veerman en heel Well. Op de Vituskermis op het kasteel is er stemming daar komt het op aan en als er stemming is dan kunt ge immers al lachen om ’n vliegenscheet?”
De rivierpolitie keerde terug van haar cruisade en roffelde met haar boot het water aan de Wanssumse kant. Wij keken François er eens op aan: hij zou een prachtige admiraal geweest zijn in het met goud gegalonneerde uniform of een zeerob van een kapitein, zo weggelopen uit de boeken, die avontuurlijke vaarten over de oceanen beschrijven. Maar eigenlijk behoefden we ons niet in dergelijke fantasieën te vermeien, de werkelijkheid was schoon genoeg: kermiskoning van St. Vitus, ter ere Gods meewerkend aan plannen voor een kerk, die niet zal komen waar hij dat graag wenst. Daar zal vreugde zijn in de hemel om deze dienaar en om allen, die deze bijzondere kermis met een bezoek vereren. François schudde misprijzend het hoofd, toen we hem bij het afscheid „kermiskoning” noemden. „Ge maakt ’t niet te gek, anders schrijf ik een ingezonden stuk!” dreigde hij.
Toen wij alleen aan de Maas achterbleven, was het met de hoop in het hart, dat hij dat zou doen; met zoete aroma’s in de neus en al de heerlijkheid van de Heerlijkheid Well voor ogen. De „Ora et Labora” schoof voorbij op de rivier en in onze dromen werd het brave schip een statige viermaster met witte zeilen, die zich dapper verhief tegen de onafzienbare horde wilde groene waterbeesten van de oceaan en met zijn scherpe boeg hun dreigende koppen schuimend uiteen spleet. Op de brug stond in smetteloos wit uniform: François.... Hij lachte breed en riep boven de wind door het fluitende want: „Al het goud van Peru is voor de kerk van Well !

Dagblad voor Noord-Limburg 18-06-1953.


In 1954 werd er geen Vituskermis gehouden vanwege verschillende omstandigheden, waaronder restauratiewerkzaamheden aan het kasteel.

Dagblad voor Noord-Limburg 28-04-1955


 

Dagblad voor Noord-Limburg 11-06-1955.

Het oude imposante kasteel van Well zal in het komende Weekend bezet worden door standwerkers, waarzegsters, hippodroom-exploitanten, Bier-„kneipers,” wijnverkopers en veel kermisvolk. Waar eens de heer van Byland zijn volk verzamelde voor de strijd tegen Maarten Schenck van Nydeggen, de "roofgier van Afferden”; of met een fleurige equipage uittrok ter valkenjacht, daar zal nu de dokter rondlopen, vermomd als „Ome Jaap” om er het „licht-spel” te daar zal madame Minerva als een spin ineen duistere krocht verscholen zitten om er de hand te lezen van eenieder, die haar raadpleegt om de toekomst te ontraadselen, daar zal Wiel van Reiniers via het rad van avontuur vette hammen en allerlei andere zaken in het rond doen slingeren en daar zullen nog vele andere lieden (waarvan dhr. Frans van Dooren niet de geringste is) den volke het bewijs leveren, dat de „hooierskermis” van Well een bijlslag waard is. Voor de vierde maal zal er Zaterdagmiddag een Vituskermis op de eens zo geduchte vesting gehouden worden: een luchtig vermaak met een ernstige achtergrond, de bedoeling is om door dit festijn weer wat geld bijeen te harken in de diepe financiële bouwput, die volgestort moet worden voor de nieuwe kerk.

OUDE KASTEELHEREN DRAAIEN ZICH OM IN HUN GRAF
Op allerlei manieren is daaraan in de afgelopen jaren reeds gewerkt. Pastoor Reinè heeft al eens een rondgang gehouden, die ƒ 13.000 opbracht; de kippenhouders offeren getrouw een cent van de opbrengst van iedere kilogram eieren; wanneer er op ‘n boerderij een vaarskalf wordt geboren valt er vijf gulden voor nieuwe kerk van het blok; kwartjesactie is ook te Well geen onbekend begrip; in de Tiendschuur-noodkerk zijn er maandelijkse collecten, - maar met dat al is het nog steeds niet zo ver dat de Pastoor een spaarvarken opzij heeft liggen, dik om onbekommerd aan het kerke bouwen te slaan.
”Het is z’n eigen schuld”, zegt men in Well. “Pastoor is onhandig met bedelen. Neem nu eens de geschiedenis met die vaarskalveren. Op de preekstoel zegt hij: Het schijnen slechte tijden voor de boeren te zijn tegenwoordig. Men krijgt zo de indruk, dat er niets dan stierkalven geboren worden, behalve in het Knikkerdorpje, daar heeft men nog wel eens een gelukje. Veel gelovigen gniffelen. Ze voelen de humoristische steek onder water, maar worden er niet door opgeschrikt”. 
De St. Vituskermis is daarom niet alleen in het leven geroepen om de pastoor een handje te helpen maar ook om eenieder in de gelegenheid te stellen zonder schuldbesef zijn vaarskalveren in de wei te sturen. Nu heeft niet iedereen dergelijke jonge runderen, bij lange niet, maar dan is er volop gelegenheid om op andere wijze niet voor de agrariërs onder te doen.
De bakkers hebben het begrepen. Zij hebben in de laatste dagen al een menigte vlaaien, taarten, vlaaien en krentenbroden gebakken om die voor de kermis ter beschikking te stellen.
Anderen geven hun vrije tijd en hun arbeid, of prijzen  in geld of goederen voor de vele attracties, waarom men de kermisklanten hoopt te  verzamelen als vliegen om de stroop.

GEEN OLIFANTSEIEREN
Blijkens de ervaringen in voorgaande jaren is deze kermis in Well en wijde omgeving in trek. De sfeer, die men aantreft op en rond het kasteel in de tot „Weinstube” omgedoopte voormalige freulezaal, in de tot „Bierkneip” veranderde kelderruimte met haar frisse witte gewelven, in de tot lunchroom omgeschapen ridderzaal en bij de diverse vermakelijkheden in de bijgebouwen, draagt hiertoe ongetwijfeld aanmerkelijk bij.
En, eenmaal daardoor aangestoken, valt het niet zwaar om zich de dubbeltjes en de kwartjes uit de zakken te vissen voor allerlei aanlokkelijke maar soms ook ogenschijnlijk wel dwaze ondernemingen. Men staat verbaasd over de vindingrijkheid, waarmee de inrichters van der gelijke gebeurtenissen de nieuwsgierigheid van de bezoekers weten op te wekken. Ineen ander Noörd-Limburgs dorp heeft men het eens gepresteerd Om voor een afgeschermd hokje de mededeling op te hangen, dat aldaar tegen het civiele prijsje van 25 cents olifantseieren te bezichtigen waren. Er waren er nog genoeg, die in volle ernst naar binnen stapten om er tot de ontdekking te komen, dat zij tegenover twee grote stenen stonden Zo gemakkelijk wil men zich er te Well nu weer niet vanaf maken. Men heeft zich beijverd om aantrekkelijke prijzen inde wacht te slepen. En daaromheen een organisatie op te bouwen, die het eenieder gemakkelijk moet doen vallen enige uren op het kasteel te vertoeven.
Zelfs de Ambonezen van kamp Oude Molen hebben zich niet onbetuigd gelaten. Sympathiek, want als Protestantse Christenen hebben zij er geen enkel belang bij als te Well een katholieke kerk verrijst. De Ambonese bijdrage zal hierin bestaan dat er allerlei „Indische” hapjes in de lunchroom verkrijgbaar worden gesteld, en waar de kennis van de meesten hieromtrent beperkt is tot bami en nasi goreng zal hiervoor ongetwijfeld t wel belangstelling bestaan. Daarnaast zal het speciaal voor Well een attractie vormen, dat er – filmvoorstellingen zullen zijn, waarbij verschillende bekende dorpsfiguren op het witte doek zullen verschijnen. Ruiterclub – Bayard heeft de organisatie van een hippodroom met shetlandertjes op zich genomen, en tenslotte zullen er door de kinderen ‘s Zondagmiddag nog enige honderden ballonnen in het kader ) vaneen wedstrijd de lucht wort den ingezonden.

ZATERDAG ONTBRANDT DE SLAG
Zaterdagmiddag om 3 uur zal pastoor Reiné deze „kermesse” openen en dan begint de slag tussen de standwerkers aan het lichtspel, de bommenwerpers, het rad van avontuur en de andere inrichtingen des vermaaks, wie er tot Maandagavond de meeste klandizie tot zich weet te trekken. De kermiskoningen van Well rekenen er op, dat vooral de jonge mannen de dubbeltjes eens langs een omweg in het kerkezakje zullen laten rollen, vermits deze lieden vaak over ’n behoorlijk zakgeld en zelfs over ’n eigen inkomen beschikken, en tot dusverre de schijn op zich hebben laten zitten, dat zij de bouw van een nieuwe kerk beschouwen als een zaak, die uitsluitend de huisvaders en de moeders aangaat. En dat zulks beslist niet waar is, behoeft geen nader betoog: zij zijn immers in de naaste toekomst de eerste erfgenamen, in wier handen de nieuwe St. Vituskerk wordt overgedragen. Drie dagen lang zal de rust van het „Vormingscentrum” kasteel Well worden verstoord door het kermislaweit. En zelfs het goede doel zal niet kunnen verhinderen dat de heer van Byland en alle vroegere kasteelheren zich wellicht van ergernis in hun graf omkeren over zoveel wild geraas in en rond het huis, waar vroeger het gewone volk alleen maar over de kat te gebieden had.


 

Dagblad voor Noord-Limburg 04-10-1955.


 

Dagblad voor Noord-Limburg 06-07-1956.

Dit is de nieuwe St. Vituskerk van Well, met de bouw waarvan bekwame spoed gemaakt zal worden, nu de officiële bouwvergunning verkregen is. Zoals deze maquette laat zien wordt de kerk in basilica-stijl opgetrokken. Zij zal ruim 700 zitplaatsen bevatten. De Maastrichtse architect J. B. H. M. Ramaekers heeft het bouwplan ontworpen. In grote trekken wordt de kerk gelijk aan die van Blerick-St. Hubertus welke kerk eveneens door deze architect ontworpen is.
Het bouwterrein is de laatste weken reeds geëgaliseerd en de benodigde stenen waren aangekocht, zodat het aannemersbedrijf gebroeders Linskens uit Blitterswijck thans met het eigenlijke bouwwerk beginnen kan. 
De bouwkosten komen op ƒ308.000,-. 
Well had zijn oude St. Vituskerk, die met zijn rijzige toren langs de Maas het rivierpanorama accentueerde, in de laatste Oorlogswinter verloren. Men heeft daarna voor de kerkelijke plechtigheden een waardig toevluchtsoord gevonden in de tiendschuur van het kasteel, die meermalen is uitgeroepen tot de mooiste noodkerk van Limburg. Maar het verlangen naar een echte kerk bleef onder de Wellse bevolking levendig. Dat uitte zich o.m. in allerlei acties voor de nieuwe kerk, waarvan de St. Vituskermis, die enige jaren met groot succes op het kasteel gehouden werd, wel de meeste bekendheid verwierf. Niet in de laatste plaats is het aan de veelzijdige medewerking van de parochianen te danken, dat thans met de bouw van de nieuwe kerk begonnen kan worden. Er heeft zich nog even een „strijd” afgespeeld omtrent de vraag, of de kerk op de vroegere plaats langs de Maas herbouwd moest worden, dan wel, in verband met de uitbreiding van Well, aan en over de Rijksweg, meer in die richting zou dienen te verrijzen. Er is uiteindelijk een soort compromis tot stand gekomen. De kerk komt nu aan de rand van de oude dorpskern, niet ver van het kasteel, dat centraal in Well gelegen is.

Well gaat nu dus een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van zijn kerk schrijven. Een reeds tamelijk bewogen geschiedenis, want met het dorp kreeg vaak ook de kerk de slagen mee, die de nabijheid van het kasteel, waarop niet altijd even rustige heren zetelden, over deze omgeving afriep. In 1586 legden de Spanjaarden de toenmalige St. Vituskerk in as. Ondanks het feit, dat de heren van Bijlandt niet altijd vrij van ketterse gedachten waren, offerde het verarmde volk voor de bouw van een nieuwe kerk. Reeds in 1607 kwam er een nieuwe beproeving, toen de kerk door de bliksem getroffen werd en in brand geraakte. Toen de vlammen waren uitgewoed stond alleen het priesterkoor nog overeind. Met vereende krachten begon men weer opnieuw. Het werd nu een werk van lange adem, want eerst in 1869 werd de toren afgebouwd. Een plaatselijke dichter uitte z’n vreugde hierover als volgt:
Door het kraaien van de haan
Vangt de Wellse kermis aan.

Een gebeurtenis, die men lang had moeten ontberen. De torenhaan heeft het tot 1944 kunnen uitzingen. Hopelijk zal zijn opvolger hem in dit opzicht met vele eeuwen kunnen overtreffen.

Archeologische vondsten in de Hoenderstraat

Bij het graven van de fundamenten stuitte men op een voormalig Merovingisch grafveld. Bij archeologische onderzoek zijn diverse grafgeschenken aan het licht gekomen. Pastoor Reiné heeft de voorwerpen lang in huis gehad en alles is later naar het Freulekeshuus gebracht, nu Venray's museum. 

Het was o.a. een nalatenschap van een deftige Frank uit Well: drie lanspunten en twee umbo's werden gevonden. 

UMBO : een ijzeren schildknop.

URN uit de Merovingische periode.

De Merovingische periode (450-751) is de periode in de West-Europese geschiedenis na de val van Rome waarin Franken, een Germaans volk, geleidelijk de macht naar zich toe weten te trekken. Hun hoogtepunt bereikten ze in de daarop volgende Karolingische periode (751-987), waarin ze quasi heel West-Europa zouden domineren.

 

URN uit de Merovingische periode.

 


 

Winter 1956.


 

Dagblad voor Noord-Limburg - WELL, 18 december

Eeuwenlang heeft het dorpsbeeld van Well twee bijzondere karakteristieken gehad: de massieve steenpartij van het kasteel, oprijzend tussen grachten en hoge boomlanen en daarnaast de torén van de kerk, zo dicht bij de Maas gebouwd, dat hare wateren menigmaal haar voet bespoelden. Van die twee Wellse kenmerken is er een verdwenen. De rijzige Vitustoren, in 1869 afgebouwd, mocht niet eens haar eerste eeuwfeest beleven, omdat bruut oorlogsgeweld haar tot op de fundamenten ineen deden storten. Dat is nu al weer 12 jaar geleden, maar een foto van die oude kerk met toren aan de Maas is ’n dierbaar bezit in menig Wells gezin en ook zonder enig technisch hulpmiddel is het oude dorpsbeeld, zoals men dat vanaf de Maas kon zien, inde herinnering van velen zo scherp opgenomen, dat ze hun ogen maar behoeven te sluiten om het op het scherm van hun verbeelding nu nog te zien.
Inmiddels is de wereld verder gedraaid en heeft het leven ook in Well niet stil gestaan. Er kwam een nieuwe karakteristiek de gigantische Bailey-constructie, die hoog over de rivier haar ijzeren vlechtwerk van oever tot oever slaat, en de passanten een blik op rivier en landschap gunt waarvoor men bijna het veer van weleer zou vergeten. Bijna, want bijtijds hebben de Delftse studenten met hun standbeeld van Christoffel hier ingegrepen, opdat de aanblik daarvan Well zijn verleden als overzetplaats indachtig zal doen blijven. Opdat hier en ginder men door het verkeerslawaai over de brug en de Rijksweg niet zal vergeten, dat Well op de eerste plaats toch nog dorp aan de rivier gebleven is. Nog een weinig tijds en het nieuwe dorpsbeeld zal helemaal volledig zijn. Ergens tussen Maas en Rijksweg, als een compromis tussen historie en toekomstige ontwikkeling verrijst de nieuwe kerk met toren. De voorbijvarende schipper op de Maas zal daaraan zijn blikken hechten, maar ook de voorbijflitsende automobilist zal er een vluchtig beeld van meenemen. Er is een spreekwoord, volgens hetwelk men de kerk in het midden moet laten. Voor het oude Well was dat op een plaatsje bij de rivier meer dan acht eeuwen lang. Men kan het nog gaan zien op het stevige ommuurde vroegere kerkhof, waar men fundamenten van drie vroegere kerken heeft blootgelegd en met de door vroegere generaties gebruikte stenen heeft aangegeven. Het grondpatroon van mergelfundamenten van het oudste kerkje, dat in 1586 werd verwoest. vindt men er, gedeeltelijk overlapt doordat van de eenbeukige kerk, die in 1615 werd geconsacreerd, nadat er acht jaren aan gebouwd was. Buitenom gemarkeerd door eerbiedwaardig oude zerken, vindt men tenslotte de begrenzing van de St. Vituskerk, zoals Well die tot 1944 kende, en die in 1848 werd geconsacreerd, nadat het oude bedehuis in 1841 was afgebroken. Men kan met recht zeggen, dat de troosteloze ruïnepartij, die men hier na de bevrijding aantrof, thans in een waardige herinneringsplaats aan ’t oude Well herschapen is. De Vituskapel, gerestaureerd en van muurdecoraties voorzien, betrekt de wacht aan de ingang van de muren, waarbinnen niet alleen de doden maar ook de kerken van het dorp hun herinneringsteken hebben waarlangs straks de bloemen zullen bloeien. Het nieuwe Well ligt aan de rivier én aan de Rijksweg. Daarvan is de kerk die thans tussen de steigerpalen oprijst, tegelijk het symbool en het compromis. Met zijn gloed van nieuwe stenen verenigt dit bouwwerk in zijn architectuur er komt o.a. een dubbele rij van ramen in het kerkschip de sferen, die elkaar in Well ontmoeten en in elkaar overgaan. Well heeft zich aan het spreekwoord aangepast, men heeft de kerk naar het nieuwe midden gebracht. Op eerste Kerstdag zal er op deze bouwplaats een gebeurtenis plaats vinden, die de Wellenaar, met zijn sterke zin voor historie, ongetwijfeld zal aanspreken. Dan gaat de officiële eerste steen gelegd worden, die in haar binnenste de documenten meekrijgt, welke hopelijk voor vele eeuwen zullen getuigen van het werk, dat hier werd verricht. Dokter Smals heeft een fraaie oorkonde vervaardigd voor dit doel. Pastoor Reine heeft gemeend deze eerste steenlegging niet te moeten beperken tot het officiële gedeelte en tot het laten „metselen” van een muurtje door de gelovigen van zodanig twijfelachtige kwaliteit, dat het later veelal toch weer afgebroken moet worden. Zinvoller heeft hij het geacht om de aanwezigen bij deze plechtigheid uit te nodigen tot het tekenen van hun naam op de lijsten, die bij de oorkonde ingemetseld zullen worden in de hoeksteen, die als officiële eerste zal gelden. Teneinde in ieder geval deze plechtigheid tot een waarlijk parochiële gebeurtenis te maken zal bij onverhoopt minder gunstig weer een tentzeil over een gedeelte van de bouwplaats worden gespannen. Om half drie wordt een kort lof opgedragen, waarna de eerste steenlegging begint, bij welke plechtigheid ook diverse autoriteiten, de architect, de aannemer en zijn bouwers zijn uitgenodigd.


 

 

Op 25-12-1956 was de eerste steenlegging. In de toren van de nieuwe kerk werd de steen ingemetseld. Misdienaars waren Pierre van den Hoef - Theo Hebben en Kees Aarts.

Na een plechtig Lof in de noodkerk was men in processie naar de bouwplaats gelopen. Hier konden de parochianen hun naam op een lijst zetten, die bij de oorkonde in de huls werd toegevoegd. Ook aanwezig waren o.a. : burgemeester van Mackelenbergh, wethouders Weijs en Janssen, de gemeentesecretaris van Eekeren en Deken Janssen uit Gennep.


 

Rechts Pater Piet Verdijk en kapelaan Albert Lebens. Links op de achtergrond de aannemer van Fa. Linskens & Verstraelen en verder enkele kerkmeesters en leden van het kerkbestuur: van den Hombergh - van Bommel - Verstappen en Göbbels.


 

Een dokument werd ondertekend, maar voordat het in een in een huls gedaan en ingemetseld werd konden alle aanwezigen ook hun naam op een lijst zetten.


 

Er was gelegenheid om een Kerstgave te schenken voor het Bouwfonds, dat leverde die dag ƒ 1300,- op.


 

De ingemetselde oorkonde achter deze hoeksteen heeft de volgende tekst:

Op de eerste Kerstdag van het jaar des Heeren 1956, toen Z.H. Pius XII Paus was te Rome, Mgr. Dr. Alfrink Aartsbisschop van Utrecht, Mgr. Dr. Lemmen Bisschop van Roermond, Mgr. Dr. A. Hansen coadjutor van Roermond, Hoogeerwaarde Heer H. Janssen Deken van Gennep, Zeereerw. Heer M. Reiné Pastoor te Well, Weleerw. Heer A. Lebens Kapelaan te Well.

Toen Zijne Excellentie P. J. Houben Commissaris van de Koningin in Limburg was, Edelachtbare Heer A. v. Mackelenbergh Burgemeester van de gemeente Bergen, Edelachtbare Heren Th. Janssen en J. Weijs wethouders van de gemeente Bergen, Weledele Heer P. J. van Eekeren secretaris van de gemeente Bergen.

Toen de Weled. Heer Jan Ramaekers architekt, Linskens & Verstraelen aannemers en de Weledele Heer C. v.d. Stoot opzichter was, werd in tegenwoordigheid van een groot aantal parochianen deze eerste steen gelegd.


 

De kerk in aanbouw in 1957.


 

De kerk in aanbouw in 1957.


 

Dagblad voor Noord-Limburg 17-05-1957.


 

Well vanaf Wanssumse zijde met de nieuwe kerk in aanbouw. Net te zien is dat de toren in de steigers staat. Op 14 juli 1957 werd het hoogste punt van de kerktoren bereikt.


 

Winter 1957


 

Winter 1957. De pastorie en kapelanie vanaf de kerktoren.


 

De bouw nadert zijn voltooiing in 1957.


 

Twee mannen zonder vrees plaatsen het kruis en de vergulde weerhaan op de toren.


 

Enkele maanden voordat de kerk in gebruik werd genomen stond het water van de Maas nog erg hoog aan de Hoenderstraat en Kasteellaan. Kapelaan Lebens, die destijds in onze parochie werkte, nam deze foto in januari 1958.


 

De nieuwe kerkweg van Well leidt niet meer naar de Maas. Daar is nogal wat over te doen geweest, toen de beslissing viel de kerk niet meer op de oude plaatste herbouwen. De Maaskanters spraken van een verloochening van het voorgeslacht; van een onherstelbare schending van het dorpsbeeld, dat vroeger inderdaad een zeer mooi rivierfront had. Die van de Rijksweg vonden, dat de kerk bij hen gebouwd moest worden. Zij vormden de meerderheid der 2000 zielen, die de parochie telt. Drie kwart van de bevolking woont aan of nog aan gene zijde van de Rijksweg. Men heeft uiteindelijk de nieuwe kerk in het midden gelaten, aan beide standpunten halverwege tegemoetkomend.
Met het oude kasteel vormt de nieuwe kerk nu een verbindende schakel tussen het oude Well aan de Maas, en het nieuwe, dat meer landinwaarts groeit. Naar bouwtrant verzoent de kerk al evenzeer het oude met het nieuwe. Zij is in Romaanse stijl opgetrokken, en haar nieuwheid verdraagt zich wonderwel met de massieve muurpartijen van het kasteel en de rechthoekige vormen van de huizen in het oude dorpsgedeelte. Het heet, dat er zes en vijftig rake schoten nodig waren, eer in de Oorlogswinter van 1944 de Wellse „wachter” aan de Maas het begaf, en zich herhaalde, wat in vroeger eeuwen reeds door toedoen van Spanjaarden, bliksem en brand tot tweemaal toe geschiedde: de kerk van Well was in een ruïne herschapen. Maar de beelden konden worden gered, evenals zij het in brokstukken het fraaie hoofdaltaar, enkele koorbanken en andere gedeelten van de inventaris.
Onder deskundige leiding van prof. Timmers zijn leerlingen, van de Jan van Eyck-academie te Maastricht al geruime tijd bezig met een zorgvuldige restauratie, opdat deze waardevolle stukken weer een waardige plaats in de nieuwe kerk kunnen krijgen. De verdere aankleding van het gebouw zal geheel aan de sfeer ervan worden aangepast.
Er komen koperen kroonluchters in de middenbeuk en de beide zijbeuken. Van de hand van een bij toeval ontdekte Haarlemse kopersmid, een echte ambachtsman van de oude stijl, die het „oudhollandse” werk nog verstaat. De twaalf betonnen kolommen, die het dak schragen, zijn gebouchardeerd: de buitenste cement laag is weggebeiteld, waardoor de speciaal gebruikte grindsoort met stemmige tinten in de kolommen vrij komt. Ook op de muren geen doods wit, maar een warm aandoende geelrode tint, dank zij het rode ijzerzand, dat voor de pleisterspecie is gebruikt. Aannemer Linskens vond dit materiaal in de bossen bij Geijsteren. Het effect, dat ermee bereikt werd, pleit voor een veelvuldiger gebruik van deze typische zandsoort. Een „half” orgel (12 registers) zal voorlopig de koorzang begeleiden. Het gaat nu eenmaal niet allemaal tegelijk bij een nieuwe kerk. Dat geldt ook voor de klokken. Er zullen er drie in de toren komen te hangen, maar voorlopig zal Well alleen de stem van de kleinste kunnen beluisteren. Algemeen is de tevredenheid over hoe de nieuwe kerk is ontworpen. De aannemers Linskens en Verstraelen uit Blitterswijck hebben met hun mannen met deze kerk de eerste, die zij in haar geheel bouwden een monument van uitstekend vakmanschap opgericht.
Voor het dak is gebruik gemaakt van Parana-hout, een Braziliaanse houtsoort van bijzonder fraaie tint, die het gemis van gewelven nog nauwelijks doet voelen.
Zo is er reden voor het „Gaudeamus” in het oude Maasdorp. De tiendschuur bij het kasteel heeft eindelijk als noodkerk uitgediend. Men zal haar zonder heimwee verlaten, hoe goed zij zich ook van haar taak gekweten heeft. Als noodkerk belichaamde zij een overgangsperiode.
Thans staat Well in zekere zin voor een nieuw begin.

Dagblad voor Noord-Limburg 29-03-1958


 

De bruidjes brachten 'Jezus naar zijn nieuwe huis', zo werd het door de Zusters op school uitgelegd aan de meisjes die in mei 1957 de eerste Communie hadden gedaan.


 

Het H.Sacrament in de monstrans werd in een grote stoet, van de noodkerk in de Tiendschuur op het kasteel, overgebracht naar de nieuwe kerk in de Hoenderstraat.


 

30-03-1958.


 

Elf dagen na de inzegening trouwden Jan Boom uit Blitterswijck en Gini Holla uit de Grotestraat als eerste bruidspaar in de spiksplinternieuwe kerk. Dat was op 10-04-1958.


 

Zomer 1958. In de toren was een klokkenstoel gebouwd voor vier klokken. De kleinste luidklok, Maria genaamd, werd direct aangebracht.


 

 Het orgel werd in 1958 gebouwd door Verschueren Orgelbouw Heythuysen B.V.  Het was een half orgel (12 registers).

Kerkbanken. De eikenhouten banken achterin op de verhoging hebben de Tweede Wereldoorlog overleefd, ze komen uit de oude kerk aan de Maas. Voor zover bekend bestond in onze parochie tot in de 60er jaren het systeem van pachtplaatsen. Een keer per jaar werd het pachtgeld in de sacristie betaald aan de penningmeester van het kerkbestuur. De naam van de pachter stond op het knielkussen. Voor de torenportalen waren de staanplaatsen. Daar stonden meestal de jeugdige mannen met degenen die na de mis als eersten in het café wilde zijn. Ook liepen er weleens tijdens of voor het uitdelen van de Communie naar buiten om de berichten op het mededelingen bord te lezen. Iemand vertelde ooit dat (begin jaren '60) kapelaan Jos Schreurs hen daar buiten een keer de hostie kwam brengen.


 

De kerk werd ingezegend door Deken W.H.M. Janssen en op Palmzondag 30-03-1958 in gebruik genomen. 


 

Brokstukken van het verwoeste altaar in Maastricht.


 

De restauratie van het altaar in Maastrichtwaar onder leiding van prof. dr. Tummers de leerlingen van de Van Eyck Academie het geheel weer in de oorspronkelijke toestand zouden herstellen.


 

 

Het altaar werd in juli 1958 geplaatst, eerder was men nog met de restauratie bezig. De overgebleven heiligenbeelden werden ook geplaatst.

Op de vloer van de kerk liggen Opdalkwartsiet tegels. Op het priesterkoor ligt marmer, dat bovendien in ruitvorm is gelegd met donkere banen als afscheiding tussen de ruiten.

De muren zijn gestuct. De aannemer gebruikte daartoe rood ijzerzand dat gevonden is in de bossen bij Geijsteren, waardoor het stucwerk een geelrode kleur kreeg.

Het plafond in het schip en boven het koor bestaat uit dennenhouten moer- en kinderbalken, die afgetimmerd zijn met paranapine.


 

De kerk telt 716 zitplaatsen.

De schildering boven het hoofdaltaar van de verrijzende Christus werd voor ƒ 2000,- gemaakt door de in Helden geboren restaurator - schilder Harry Kranen. Het is een copy van het schilderstuk uit de school van Rubens dat in de oude St. Vituskerk hing en verwoest werd in de Tweede Wereldoorlog.  Het schilderij wordt aan de zijkanten ingesloten door zware korinthische zuilen, die weer een opstaand geveltje dragen, met in het midden een Sint Vitusbeeld, de patroon van onze kerk. Aan de zijkanten wordt St. Vitus geflankeerd door engelen, waarvan de ene een sleutel en de andere een zwaard draagt. Deze sleutel en het zwaard verwijzen naar de eerdere kerkpatronen Petrus en Paulus, die naast het altaar een plaatsje gekregen hebben. Petrus leunt op een omgekeerd kruis en wordt nog vergezeld door een haan, terwijl Paulus een dik Evangelieboek draagt, als apostel van de heidenen. Rechts en links van het hoofdaltaar staan de zij-altaren, resp. het Maria altaar en het Christus altaar.


 

Bij het Christus altaar staat de zwart marmeren doopvont met koperen deksel op een grijs marmeren voet.


 

Uit de krant van 03-06-1958.


 

01-06-1958 hielden oud Wellenaren een geslaagde reünie in ons dorp.

Na bezichtiging van de kerk en een bezoek aan het oud kerkhof werden de ca. 150 oud inwoners van Well  door de harmonie naar de zaal begeleid, waar pastoor Reiné een woord van dank sprak voor de milde steun aan de nieuwe kerk. Veel mensen hadden elkaar al jaren niet meer gezien en er werd dan ook hartelijk over vanalles gepraat. Onder de aanwezigen waren o.a. Leo Peters (burgemeester van Bergen op Zoom) die als voorzitter van de oud Wellenaren optrad - Jan Daemen uit Bergen (sectretaris) - Sjang Krebbers uit Budel - mevr. Willemse-Koppers (haar man was hier huisarts) - Gerard en Tonny van Bracht (huisarts in Well van 1926-1946) Jan Drissen uit Soest - Drie Wellse paters Gerard, Frans en Huub Arts met hun zussen en zwager Toon Kortooms - Toon Willems en Ben Derks uit Roermond - Gerard Remmen uit Tilburg, leden van de familie Simons - Koppers enz. enz. Jac Kessels uit de U.S.A., die vroeger in de Hoenderstraat woonde, stuurde een telegram met de beste wensen en hartelijke groeten.

De nieuwe ramen in de kerk waren giften en geschenken van Wellse families of personen, die vroeger in Well hadden gewoond. Ze wilden op deze manier hun verbondenheid met hun geboorteplaats laten zien.

De oud Wellenaren brachten in een spontane actie ook ruim ƒ 2000,- bij elkaar waarmee het geschilderde tableau boven het hoofdaltaar werd aangekocht. 


 

De bouwpastoor, M.J.A. Reiné, die in 1943 pastoor van Well geworden was, stierf op 05-08-1961.

Later werd er in Well een straat naar hem vernoemd: De Pastoor Reinéstraat, zij verbindt de St. Vitusstraat met de Sterrenbos.


 

Albertus Hubertus Maria Lebens *Delft 15-08-1918.

Zoon van Pieter Andreas Lebens (*Gennep) en Carolina Maria Hubertina Smeets (*Roermond).

Na zijn priesterwijding in Roermond op 10-04-1943 werd hij kapelaan in Well. In oktober 1946 vertrok hij tijdelijk uit Well en werd kapelaan in Pey. Vervolgens was hij kapelaan in Beek van 1951 -1952. Kapelaan Lebens kwam terug naar Well in 1952 en werd hier rector in het bejaardenhuis. In 1953 werd hij weer tot kapelaan benoemd in onze St. Vitusparochie. In 1959 verhuisde hij met zijn trouwe huishoudster Agnes Verkoelen naar Reuver waar hij werkte van 1959 -1967.  Vervolgens was hij pastoor in Ell 1967 -1971 en pastoor in Baarlo 1971-1984. Hij is overleden in Tegelen 31-07-1994. Albert Lebens was een beminnelijke, vreedzame en bescheiden man.


 

De hoofdingang van de kerk met het kerkplein.


 

Het Missiekruis dat achter in de kerk hangt.


 

De klok Joseph werd op 29 oktober 1961 door Deken Janssen uit Gennep plechtig gewijd. De familie Wijenberg, Pastoor Driessen en kapelaan Schreurs waren hierbij aanwezig. 

Deze klok werd geschonken door Peter Wijenberg, een Wellse emigrant die in Los Angeles U.S.A. woonde.

Luidklokken zijn gewijde objecten en vernoemd naar heiligen. Ze worden ook daadwerkelijk voor ‘personen’ aangezien. De bijzondere waarde die vroeger aan deze personen werd gegeven was dat ze de duivel op afstand moesten houden, buiten de kerkdiensten en andere kerkelijke evenementen. Elke klok draagt een ingegoten tekst, die iets vertelt over zijn of haar eigenschappen.

Twee andere klokken werden aangebracht op 02-04-1963.

De kleinste van deze twee klokken werd "Vitus" genoemd en werd geschonken door de Wellse parochianen als geschenk aan Pastoor Driessen bij zijn zilveren priesterfeest, op het hoogfeest van Pasen 1963.

De grootste, "Salvador", werd door het kerkbestuur geschonken, dus door de kerk. Deze klok weegt ruim 1400 kg. De tonen zijn dis - g - ais - c. De klokken werden gegoten door Eysbouts in Asten, die ook het uurwerk geplaatst heeft.


 

Op 05-04 werd proefgeluid en zongen de klokken voor het eerst samen hun Salve Regina. Officieel werd voor de eerste keer geluid op de eerste Paasdag, 13 -04-1963.


 

De kerk gezien vanaf de Molenbeek.