Poging tot splitsing van de gemeente Bergen in twee gemeentes. En het politiek gesteggel via de pers dat er op volgt.
Wat aan onderstaande ingezonden brieven vooraf ging:
In 1895 willen de gemeentebestuurders de langgerekte gemeente Bergen in tweeën splitsen. Afferden en Bergen moeten een aparte gemeente gaan vormen. Het plan wordt door burgemeester Theodor Otten met zijn wethouders Antoon Peters en Christiaan Peeters ingediend bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Venloosch weekblad 16-05-1896
In 1897 wordt het plan van splitsing vanwege 'Haagse' bezwaren afgeblazen.
Ook in die periode was men het in de Bergense politiek niet met elkaar eens. Gesteggel via ingezonden stukken in de krant volgden.

Vervolg van de tekst: Welnu, mijn waarde „ingezetene", gij tart mij dien doofpot dan eens 't onderste boven te halen ; ik dank U feestelijk, beste vriend, want het krantenpapier is van een qualiteit, die zoo'n pof niet kan gedoogen, vooral als er zich nog een smeulend kooltje tusschen bevindt. Doch aangaande deze zaak wil ik U een voorstel doen en zal dat aan 't einde van dit schrijven verder ontwikkelen. Gij bent er dus trotsch op onzen geachten Burgemeester tegen mijne aanvallen en verdachtmakingen te mogen verdedigen ; welnu, amice, van harte gun ik U dat genoegen; ik ben heel en gansch geen egoïst. Doch volgens mijne meening gaf mijn schrijven weinig aanleiding om in een artikel van bijna een gansche kolom druks zoo vinnig een verdediging op te nemen; althans slechts eenmaal komt in mijn vorig stuk een aanmerking aan 't adres van den Burgemeester. Gij hadt werkelijk veel moeite en inkt en papier kunnen sparen, zoo gij U tot een zakelijke wederlegging had bepaald. Maar daartoe zijt gij niet in staat en zeker niet nu gij zelf 't bewijs levert heel slecht met de toestanden der gemeente en de gebeurtenissen der laatste tijden op de hoogte te zijn. Zoo moet ik 't bepaald op rekening uwer onkunde stellen, waar gij veronderstelt „dat de vroede mannen de verdiensten van hunnen hooggeachten Burgemeester naar waarde weten te schatten", omdat de jaarwedde van den Burgemeester met vijftig gulden werd verhoogd. Maar, beste vriend, die verhooging kwam in 't geheel niet van de goedgeefsche vroede mannen, neen, want die stemden nog voor niet langen tijd éenstemmig tegen elke verhooging dier jaarwedde. Deze verhooging is door Gedeputeerde Staten voorgesteld en door de Regeering bekrachtigd. (Waar toch Gedeputeerde Staten uitstekend den lang niet rooskleurigen toestand onzer gemeente-financiën kennen, is ons dit zeer vreemd.) Verder spreekt Gij over de goede verstandhouding die er heerscht in den Raad, maar heb ik dan 't tegendeel beweerd ? De notulen der raadsvergaderingen moeten er ook al bij te pas komen, doch daar heb ik ook al niet over gesproken. En dan komt er eens iets, dat ten minste met mijn vorig artikel in verband staat; luister lezer, drie heele regels over de splitsing. En de inhoud ? Ja enkel de vraag of ik wel weet tot welke resultaten myne insinuatiën (?) leiden kunnen. Waarde „ingezetene", zonder vooralsnog mijne insinuatiën (7) verder toe te lichten, moet ik ronduit bekennen 't antwoord op uwe vraag schuldig te moeten blijven, gaarne zag ik uw licht hierover schijnen. Een tweede vraag die uitvoerig dient beantwoord te worden is deze: Waar van daan weet gij clair voyante M r, (jongen, wat u Fransch kent, in goed Hollandsch wil dat immers zeggen: helder ziende, maar 't wordt toch meestal genomen in den geest van waarzeggen en met de hand op 't geweten moet ik bekennen van de zwarte kunst geen lor te verstaan) dat de Burgemeester alleen de gevraagde inlichtingen aan den minister van B. Z. verstrekte ? Ziehier, waarde tegenstander mijn antwoord: In de maand November van 't vorig jaar werd door een viertal raadsleden uit deze gemeente aan den voorzitter van den Raad schriftelijk het verzoek gericht eene vergadering te beleggen met 't doel overlegging te verkrijgen „van alle tusschen 't Dagelijksch Bestuur dezer gemeente en de Gedeputeerde Staten dezer provincie of den minister van Binnenlandsche Zaken gewisselde stukken en missiven, betrekking hebbende op de splitsing dezer gemeente". Onder de ondergeteekenden bevond zich ook een Wethouder, die dus zelf bekende van alles onkundig te zijn. Uwe wetskennis kan groot zijn, maar dan moet ik mij afvragen hoe u de 5. alinea van art. 179 der gemeentewet in verband brengt met 't bovenstaande. Aldus art. 179: „Tot het dagelijksch bestuur der gemeente, aan Burgemeester en Wethouders opgedragen, behoort: a b c d . . e. het beheeren der inkomsten en uitgaven van de gemeente, zoover dit niet aan anderen is opgedragen". Dat heeft toch waarlijk geen betrekking op 't verstrekken van inlichtingen! Maar nu, lezer, komt eene vraag, die men werkelijk van zoo'n rechtsgeleerd man niet zou verwachten: „Maar waaraan, verlichte M r, ontleent gij 't recht op ministeriële besluiten zoo'n achterdorpsche kritiek uit te oefenen ?" Waarde „ingezetene", terloops dien ik U op te merken, dat hier geen sprake kan zijn van ministeriële besluiten, 't is een simpel ministerieel ,,gewezen-van-de-hand". Maar waarom dienen de ministers en hunne handelingen boven alle kritiek verheven te zijn ? Ware 't zoo, veilig konden onze Staten-Generaal naar huis gezonden worden. Wat een benijdenswaardige positie minister te zijn zonder dat een honderdkoppige hydra zijn doen en laten angstvallig bespied en hare gifttanden in 't vleesch zijner geesteskinderen zet! Maar, o jammer, de bemoeizucht breidt zich reeds tot de achterdorpen uit, dat belooft voor de toekomst. Een enkel woordje ook over dat achterdorp. Kijk, ietwat heetgebakerde „ingezetene" van Bergen, wij meenden dat ons lief, riant Maasdorpje best met zijn tijd meeging. Hebben we niet reeds briefkaarten met aardige „kiekjes?" Ook fietsen onze jongelui heel druk en rijden bekende merken : Brennabor, Toreador, Courier, New Turner enz.; ook de jongedames zouden 't wel aanwillen, als er maar eene was, die de kat de bel aanhing en last not least daar zijn ook van de achterdorpers die in de courant schrijven en dat is toch hoogst modern! Tot hiertoe was ik met dit schrijven gekomen, toen mij van bevriende hand eenige regeltjes gewerden; schrijver waarschuwde mij voor een strik, welke mij van zekere zijde gespannen werd en dat 't artikel in de Venl. Courant als lokaas moest dienen. Ik meende dan ook 't geschrevene terug te houden en den geagiteerde schrijver niet in 't openbaar van antwoord te dienen, doch aan den lezer ben ik wel eenige opheldering verschuldigd. Omtrent de punten, welke nog aangeroerd dienen te worden, zal ik uiterst kort zijn. Waar de batige saldo's van Wei-Bergen over 1890—1893 bleven, zeide ik reeds in mijn vorig artikel. Die waren noodig tot 't dekken der tekorten van Afferden. Dat officieele stukken niet gretig aan gemeenteraadsleden worden uitgeleverd, blijkt genoegzaam uit 't feit, dat een afschrift der begrooting van 't jaar 1897, door een raadslid reeds vóór een jaar geleden gevraagd, nog niet is afgeleverd. Geweigerd is 't natuurlijk ook niet, maar dat men aan onze secretarie zeer expeditief is, kan men er ook kwalijk uit afleiden. wie mag dan toch die zwartgallige, zwartharige was intusschen juister, M r wel zijn? Belasting betalende? och neen, dat is een minder aantrekkelijke functie; loontrekkende van de gemeente? ook al niet. Dat lacht mij ook niet toe, ten minste, wanneer 't dan zoo met mij gesteld was als met onze onderwijzers, die nog hun jaarwedde van 't tweede kwartaal te wachten zijn, zou 't mij heusch niet bevallen! Over de partijdige inlichtingen aan den minister geeft 't schrijven van dezen genoegzaam te zien, daaraan verspil ik geen woorden meer. Ten slotte, mijn waarde „ingezetene", nog dit: Gy zult met dit schrijven geen genoegen nemen. Welnu, ik zal u uitvoerige bijzonderheden verstrekken; dienaangaande ligt ten kantore van den uitgever dezes een schrijven, waarbij ik u een voorstel doe, dat gij niet kunt afslaan. Op uwe aanvrage zal 't aan den uitgever der Venlosche Courant worden overhandigd.(*) 't Staat u vrij 't dan te publiceeren, doch ik verwacht daarop als antwoord een categorisch ja of neen. Van u, geachte Redactie, vergde ik reeds te veel plaats en van den lezer wat veel geduld. Hebt allen hartelijk dank, ik zal u niet meer lastig vallen, want in de krant zal vooreerst van mijn kant de quaestie niet meer worden besproken.
M e. Wel, 6 October 1898.
(') Ik vertrouw dat door den uitgever der Venl. Courant hiervan geen misbruik zal gemaakt worden om dat schrijven aan anderen dan den schrijver in die courant te doen toekomen. Dit voorstel meende ik eerst hier te publiceeren, zooals dat uit den aanvang van dit schrijven duidelijk blijkt, doch de waarschuwing waarop ik hierboven zinspeelde, heeft mij weerhouden. Gaat mijn tegenstander op dat voorstel in,dan zal de lezer wellicht nog meer over deze zaak vernemen.
Actueel
Mooie cheque voor Archief Well
Te besteden voor de film ‘Het verhaal van Well’.
Archief Well presenteert foto's met live commentaar op donderdag 25 juni 2026
Iedereen is welkom. Gratis toegang voor de fotopresentatie. Zaal is open om 10.00 uur




























