Zoek

Joodse onderduikers in Well

In de oorlog kon en mocht er niet over gepraat worden, al zeker niet als het om Joodse mensen ging. Er waren n.l. ook ca. 20 N.S.B. gezinnen in Well die verraad konden plegen. Maar na de oorlog is er ook niet veel bekend geworden, zowel over de Joodse onderduikers als hun helpers.

Mocht u hierover informatie hebben mail dan de webmaster


 

In juni 1944 is Judith Schorlesheim ondergedoken bij Toon en Jana Derks-Vos. Haar duiknaam was Marietje van den Berg.

Ze was het enige kind van het echtpaar Michel Schorlesheim (advocaat en procureur) en Marianne Konijn. 

Judith was een kleindochter van Simon Schorlesheim (onderwijzer) & Judith Staal en van Abraham Konijn (diamantslijper) en Elsje Rudelsheim.

Tot maart 1943 woonde het gezin met dochtertje Judith in Amsterdam Centrum totdat ze  op last van de Duitsers naar de Afrikanerbuurt moesten verhuizen, waarvandaan de ouders op 01-06-1943 werden gedeporteerd. Michel en Marianne stierven in het vernietigingskamp Sobibor op 02-07-1943. De ouders hadden er voor gezorgd dat Judith op 24-05-1943 door een vriendin van de ouders naar Arnhem werd gebracht om onder te duiken. Daar woonde ze bij pleegouders die probeerden het haar zoveel mogelijk naar de zin te maken tot begin 1944, maar Judith moest er altijd binnen blijven. Er moest een ander duikadres gevonden worden omdat Duitsers ingekwartierd werden. De Arnhemse pleegouders kregen contact met een organisatie die joodse kinderen liet onderduiken, geleid door studenten. Dit was de  Amsterdamse Studenten Groep onder leiding van Piet Meerburg en Wouter van Zijtveld. 

Op een dag werd Marietje in Arnhem opgehaald door een jonge dame en werd met de trein naar Oostrum gebracht. Vandaaruit werd ze per bus naar Tienray gebracht, naar het huis van Hanna van de Voort. Met de studentengroep werkte het verzetsgroepje rond Hanna van de Voort in Tienray samen. De oudere kinderen werden enkele dagen bij Hanna ondergebracht om te acclimatiseren en te wennen aan de nieuwe situatie. Ze leerden het stratenplan van Rotterdam van buiten en in welke wijk ze zogenaamd gewoond hadden. Ook kregen ze les in de katholieke leer. Ze leerden voor en na het eten en voor het slapen gaan te bidden. Na enkele dagen gingen de kinderen naar pleegouders in de regio van Gennep tot Grubbenvorst. Verzetsman Nico Dohmen heeft steeds tegen de pleegouders gezegd, dat het om joodse kinderen ging.  Ze waren dus op de hoogte. In Tienray hoorde Marietje voor het eerst dialect praten. Ze bleef hier vijf dagen en ging naar de boerderij van de familie Sjang van der Sterren in Oirlo. Het contrast tussen het stadsleven wat ze gewend was en de boerderij was heel groot. Haar was ook verteld dat ze zogenaamd uit Rotterdam kwam en dat haar ouders waren omgekomen bij het bombardement op Rotterdam. Na de bevrijding werd haar verteld dat ze de familie van der Sterren - onbewust - zodanig in gevaar zou hebben gebracht, dat besloten werd om haar naar een ander gezin in Noord Limburg te brengen. Marietje kwam bij burgermensen en dat was de familie Derks in Well. Het gezin bestond uit Toon, zijn vrouw Jana, tegen wie Marietje 'Vrouw Derks' moest zeggen, dochter Cor, zoon Ton en zijn vriend Piet Dohmen. Zoon Jo Derks woonde met zijn vrouw Marie bij de ouders van Jana in het naastgelegen huis, bij opa en oma Vos. Cor Bergen-Derks was al weduwe, haar man was jong gestorven. Er werden Duitsers ingekwartierd, maar de omstandigheden waaronder Marietje bij de familie was kwamen niet ter sprake. Het huis werd gebombardeerd en drie Duitse militairen, die bij Derks ingekwartierd waren werden hierbij gedood. Well lag in de vuurlinie. Vanaf toen kon de familie alleen nog maar in de kelder wonen. Dagelijks werd er door de geallieerden naar de Duitsers geschoten en vielen er granaten. Marietje zag aan de overkant van de Maas Engelse soldaten, blijkbaar was Wanssum al bevrijd. De kelders in Well liepen weer onder water, na een schijnevacuatie. Opa Vos stierf op 16 december 1944. Uiteindelijk vluchtte de fam. Derks met oma Vos naar het klooster, net als meer dorpsbewoners.

Marietje evacueert met de familie Derks naar Zuurdijk in Groningen.

Enkele dagen later begon de echte evacuatie. Met kruiwagens en dergelijke liepen de Wellenaren  door de sneeuw de Duitse grens over naar Weeze. Daar kwamen ze in een fabriekshal terecht. De warme maaltijd kreeg de fam. Derks bij een gezin in Weeze. De bewoners van de Duitse grensdorpen en de inwoners van Well kenden elkaar en men sprak hetzelfde dialect. Daardoor was de onderlinge sfeer heel ontspannen. Nadat Marietje met de familie en de Wellenaren een nacht in de fabriekshal op de grond had geslapen moesten ze in een goederenwagon naar Groningen, waar ze drie dagen in de Korenbeurs verbleven. De volwassenen sliepen daar, maar veel kinderen werden bij particulieren in de stad ondergebracht. Zo ook Marietje. De derde dag werd de familie Derks met de Noord Limburgers naar Leens gebracht op vrachtwagens. In een kerkje kregen ze brood en werden door een dokter onderzocht, wellicht als controle op besmettelijke ziekten. Uiteindelijk kwam de fam. Derks en oma Vos op de grootste boerderij in de omtrek terecht. Het was bij de familie Djurre en Tine Siccama.op boerderij  'Kooijenburg', adres G 60 te Zuurdijk. Marietje was daar zogenaamd opeens "oorlogsgeweldvluchtelinge". Met haar leeftijd werd gesjoemeld, ze had immers geen persoonsbewijs. Honger heeft het gezin niet geleden, zowel in Limburg als in Groningen was voldoende. Af en toe kwamen uit het westen van Nederland mensen om eten vragen bij de boerderij. Dan was het: "Geef ze maar een pintje bonen".

Bevrijding Zuurdijk 15-04-1945. 

Begin april zagen de mensen in de verte rookwolken boven de stad Groningen, die door de geallieerden beschoten werd en door de Canadezen bevrijd. Een week later kwam een Limburgse boer, die ook in de buurt geëvacueerd was, zingend het erf op: "We zijn bevrijd! Oranje boven!".  In Zuurdijk op de boerderij gebeurde niets bijzonders, dus Marietje nam de boodschap voor kennisgeving aan. Nadat op 5 mei 1945 het hele land bevrijd was maakte ze bekend hoe haar eigen naam was : 'Judith Schorlesheim'. De familie Siccama, de mensen van de herenboerderij, vertelden haar: We hadden altijd al gedacht dat er iets met je was".

De familie Derks ging terug naar Well. Het huis was totaal vernield. Judith kwam na haar vertrek uit Groningen terecht bij de aardige familie Loogman in Venray. Het gezin had vijf dochters. Wegens plaatsgebrek sliep ze meerdere nachten, ook in Venray, bij de fam. Goemans. Vanuit Venray werd ze met een vrachtwagen naar Amsterdam gebracht. Haar ouders en de meeste overige familieleden bleken er niet meer te zijn. Judith moest proberen een nieuw leven op te bouwen.

Voorkant van de kaart die Judith stuurde naar de Fam. Da Costa, Johannes Vermeerplein 9, Amsterdam - Z.


 

Toon en Jana Derks-Vos. Zij woonden op het huidige adres Grotestraat 40-42. Zij namen de 16 jarige Judith in huis.


 

Judith Schorlesheim in 2003: Ik moet opmerken dat gedurende de gehele periode dat ik bij hen verbleef, de familie Derks erg bezorgd was over mijn veiligheid. 

Judith overleed te Amsterdam op 18-02-2015 


 

Truus Brokke-Verhoeven schreef:

In de Tweede Wereldoorlog zijn bij mijn ouders Martin en Truuj Verhoeven-van Lin op de Smeele in Well, twee Joodse mensen ondergedoken geweest. Het waren moeder Käthe en zoon Rolf Grünewald. Woonachtig in Venlo Grote Kerkstraat 8. Zij hadden daar een ververij en stomerij. Na de inval van de Duitsers moesten alle Joden opgepakt worden en op transport gesteld worden naar concentratiekampen. Omdat toen een familielid van ons uit Velden daar werkzaam was en wij ver afgelegen woonden, zijn ze bij ons terecht gekomen. Eerst zoon Rolf. Hij is 's nachts stiekem uit Venlo gevlucht. Moeder mocht nog bij de zieke man blijven. Toen hij later is overleden was Rolf al bij ons. Hij kon en durfde niet naar de begrafenis te gaan. Hij werd ziek van verdriet en heimwee. Daarna is de moeder ook naar ons gevlucht. Ze hebben twee jaar op een zolderkamertje doorgebracht. Het waren hele lieve en dankbare mensen. Mijn broer Hen mocht niet weten dat  ze Joods waren. In de buurt bij ons woonden twee NSB gezinnen. Mijn ouders waren bang dat hij zich kon verpraten als hij b.v. in het café een biertje op had. Mijn zus Cis en ik wisten het wel. Op een gegeven ogenblik werd het bij ons te gevaarlijk, er werden Duitsers ingekwartierd. Rolf en zijn moeder zijn toen bij het echtpaar Cremers in het Knikkerdorp terecht gekomen en zijn daarna mee geëvacueerd naar Groningen. Na de bevrijding hebben ze zich bekend gemaakt en verteld dat ze Joods waren. Na de terugkeer uit Groningen zijn ze nog een poosje in Venlo gebleven en daarna zijn ze geëmigreerd naar Zuid-Amerika, waar moeder Käthe een zus had wonen. Ze hebben met ons steeds contact gehouden. Ook is Rolf, die later getrouwd is, een keer met zijn vrouw hier in Well geweest. Nog steeds was hij heel dankbaar dat hij het leven aan de familie Verhoeven te danken had. Hij gaf me toen het prachtige boek cadeau "Die drei Eisheiligen" waarin ook het levensverhaal van zijn familie staat. Vele brieven zijn er over en weer gewisseld, helaas heb ik die niet bewaard. Maar al deze herinneringen kan ik mij nog goed voor de geest halen.

Zie ook pagina Fam. Verhoeven-van Lin.


 

De vader van Rolf, Sigmund Grünewald in 1941 bij de ingang van hun zaak "Meij" te Venlo.


 

Rolf en zijn moeder Käthe in 1947. In Well was zijn duiknaam Wim. Dit was ook de voornaam van de oudste zoon van de fam. Verhoeven, die sneuvelde als KNIL militair in Nederlands Indië.


 

Rolf Grünewald heeft een lang verhaal geschreven over de tijd dat het gezin nog in Duitsland woonde, naar Venlo verhuisd is en over de verschrikkelijke oorlogsjaren. Tot in detail staat de periode beschreven toen hij en zijn moeder in Well waren en als evacuees in Groningen. 

Het hele aangrijpende verhaal is via ►DEZE LINK ◄ te lezen vanaf pagina 209.

 

Een korte versie uit het boek: Hoofdstuk "Retter in der Not"

Unsere neuen Gastgeber Martin und Truus Verhoeven mit ihren drei Kindern Cisca, Hendrik und Truus waren sehr nett zu uns. Sie betrieben eine kleine Landwirtschaft, und mit unserem vorher vereinbarten monatlichen Zuschuß mußten sie uns alle über Wasser halten, denn wir hatten ja keine Lebensmittelkarten. Mit schwerer Feldarbeit und einer Kuh, später auch zwei, verdienten und erzeugten sie ihr Brot und die Nahrungsmittel für uns alle. Oft warteten wir ängstlich auf die Rückkehr unseres Gastherrn, wenn er am späten Abend heimlich das Korn in der Mühle gegen Mehl eintauschte. Glücklicherweise kann ich hervorheben, daß wir dort nie hungerten, im Gegenteil, wir waren den Umständen entsprechend mit der Kost sehr zufrieden.

Eines Tages bekam ich heftige Zahnschmerzen, hervorgerufen durch Entzündung und Vereiterung eines hohlen Backenzahns. Einen Arzt hinzuzuziehen war unmöglich, und so half uns in dieser Situation wie durch ein Wunder ein Gesundheitsbuch, das uns auf Speichelfluß aufmerksam machte. Auf Grund dieser Eigenbehandlung mit primitiven Mitteln und einer Arznei von „Dr. Heumann“, die wir durch die Post in Amsterdam besorgten, wurde ich nach zwei Monaten endlich wieder gesund.

Heute denke ich oft darüber nach, wie wir die endlose Zeit der Ungewißheit mit dem ständigen Auf und Ab unserer Gemütsschwankungen überwinden konnten. Vor allen Dingen half uns Herr van Lin, der uns jeden Monat besuchte und uns die überzeugende Hoffnung gab, daß das Hitler- Deutschland den Krieg verlieren würde – für uns die einzige Rettung. Dann half mir das volle Gottvertrauen und die täglichen Gebete, wovon ich auch meine Mutter trotz unserer Trauer überzeugte. Auf wundersame Weise – woher und wieso weiß ich heute nicht mehr – hatte ich ein Buch mit unseren hebräischen Gebeten und genauen Erläuterungen über den Stand der jüdischen Feiertage nach dem hebräischen Kalender. So berechnete ich die Feiertage vom letzten mir bekannten Datum. Wir fasteten sogar am „Jom Kippur“ (Versöhnungstag) und wurden von unseren Wirtsleuten darin vollkommen respektiert.

Wir befanden uns den ganzen Tag in unserem einsamen Stübchen mit dem Fenster zum Feld. Der Hund unten war unser ständiger, sichtbarer Bewacher. Zu bestimmten Zeiten beobachteten wir unsere Gastgeber bei der schweren Feldarbeit mit einfachen Gerätschaften. Um nicht auf „dumme Gedanken“ zu kommen, sorgten wir für ständige Beschäftigung. Wir lasen die Geschichten in den Heften, die die Leute von der Kirchengemeinde mitbrachten und die Zeitung, die ab und zu mit bedrohlichen Nachrichten erschien, was uns Nerven kostete.

Meine Mutter beschäftigte sich mit Nähen, Stopfen, Kartoffelschälen usw. Ich erweiterte meine Sprachkenntnisse mit Lehrbüchern in englischer und französischer Sprache. Dann kam ich auf die Idee, ein ganzes Schachspiel zu schnitzen. Außerdem beschäftigte ich mich mit Erinnerungen aus meiner Lehrzeit bei Flörsheim. Ich nahm dazu Stroh und legte die plattgedrückten Strohhalme wie eine Kette im Webstuhl nebeneinander und spießte oben und unten auf einem Brett eine Stecknadel ein. Nach der erlernten Bindungslehre machte ich dann einen Jaquardplan mit Mustern, z.B. einen Schwan. Das Bild ergab sich dann ohne Farbe aus dem Einführen der an den Stecknadeln betätigten Hoch- und Tiefgänge wie im Webstuhl. Diese interessante „Erfindung“ lenkte mich glücklicherweise etwas von trüben Gedanken und Krankheiten ab.

Da wir stets damit rechnen mußten, den Unterschlupf verlassen zu müssen, kam ich auf den Gedanken, unsere Gürtel aufzutrennen, um das Geld sorgfältig gefaltet darin aufzubewahren. Diese primitive Art war unauffällig, obwohl nach jeder Bezahlung zugenäht werden mußte, aber wir hatten ja Zeit in Hülle und Fülle. Außerdem verbargen wir auf diese Weise unseren gelben „Judenstern“ und die Adressen, wo wir uns nach einer Rettung melden konnten. Diesen Zettel fand ich jetzt, darunter die Adresse von A. Grunewald, San José, California, wahrscheinlich ein Nachkomme des Bruders meines Großvaters Elias Grunewald. Unser Umgang mit dem „Judenstern“ kommt mir heute sehr gefährlich und fahrlässig vor, aber wir dachten doch nie an eine solche „Hölle auf Erden“.

Der Lokus war unten im Stall und bestand aus nur drei Wänden in Mannshöhe, also ohne Tür. Hier war man nicht allein, sondern befand sich in vertrauter Gesellschaft von einigen quiekenden Schweinen im Vordergrund, von einer, später zwei Kühen rechts daneben und einem Pferd dahinter. Eines Tages passierte mir ein Mißgeschick, glücklicherweise mit gutem Ausgang. Ich trug, wie zu jener Zeit üblich, Hosenträger, und da passierte es: Als ich auf dem Klo fertig war und die Hosenträger mit einem Ruck über die Schulter riß, erschrak sich das treue Pferd, scheute, machte kehrtum, stieß die Stalltür auf und nahm Reißaus. Hinzu kam, die Wirtsleute befanden sich auf ihrem sonntäglichen Kirchgang, wodurch wir also zwei oder mehr Stunden allein im Hause waren. Obwohl in der Einsamkeit fast nie jemand unerwartet kam, vermied ich es, durch das geöffnete Tor nach dem Pferd zu sehen. Schließlich kamen unsere Wirtsleute zurück und nahmen den Vorfall gelassen hin, wußten sie doch, daß das treue Tier nach kurzer Zeit zurückkommen würde, was sich auch bewahrheitete.

1944 rückten die Alliierten unaufhaltsam vor, und durch den Rückzug der deutschen Truppen wurde der Maasverlauf zur Kriegsfrontlinie. Die Bauern mußten mit deutscher Einquartierung leben. Da wir uns nicht mehr im Haus versteckt halten konnten, nannten wir den Deutschen in unserer Not falsche Namen und gaben uns als Flüchtlinge aus den bombardierten, holländischen Städten aus, die sämtliche Papiere sowie alles Hab und Gut verloren hatten und hier Schutz vor den Bombenangriffen suchten. Die erfundenen Namen und Herkunftsorte aus Gebieten, die wegen der zwischenzeitlichen Besetzung durch die Alliierten nicht kontrolliert werden konnten, hatte ich mit meiner Mutter schauspielerisch eingeübt: Weduwe (Witwe) Lenen, Wilhelmus (Willem/Wim) Lenen, Religion lutherisch, reformiert.

Hier noch eine Anekdote: Kurz vor der Evakuierung der Bevölkerung Nord-Limburgs, quartierten sich 1944 deutsche Soldaten in dem Haus unseres Unterschlupfs ein und stellten Funkgeräte auf, die im Aussehen an Spinde in Umkleideräumen erinnerten. Kaum traten sie mit ihrer Funkverbindung in Aktion, da machten die auf der anderen Seite der Maas liegenden Verbände, wahrscheinlich Kanadier, den Standort durch Peilung ausfindig und begannen, mit Artillerie auf das Ziel loszuballern. Plötzlich prallte ein Granatsplitter von der Wand unseres Schlupfwinkels ab, riß ein Loch in den Ärmelansatz meines neben dem Schrank hängenden Wintermantels und fiel anschließend noch heiß in die Manteltasche. Wir hatten großes Glück, denn meine Mutter und ich saßen genau in der Mitte des Zimmers, also in unmittelbarer Nähe der Flugbahn des Geschosses.

Als in den Mondnächten 1944 die Flugzeuge der Alliierten stundenlang in der Luft brummten, saßen wir mit unseren Wirtsleuten und ihren Verwandten mit kleinen Kindern, insgesamt zwölf Personen, im kleinen Keller, der vorsorglich wegen Einsturzgefahr durch Bombenangriffe mit einem starken Baumstamm in der Mitte abgestützt war. Sandsäcke vor den Kellerfenstern waren eine weitere Schutzvorrichtung. Wir schliefen auf Stroh. Um eine Kerze anzünden zu können, mußte vorher die Tür geöffnet werden, da durch die vielen Personen in dem kleinen, mit Sandsäcken abgeschirmten Raum kaum ausreichend Sauerstoff vorhanden war. Alles ging gut, wir litten keinen Hunger, und mit Gottes Hilfe überstanden wir alle Gefahren.

Eines Tages kam ein Soldat vom sogenannten deutschen Arbeitsdienst und forderte die Herausgabe von Pferd und Wagen. Er kam nicht weit, denn plötzlich merkte das treue Tier, daß nicht wie gewohnt sein Herr, sondern ein fremder Mensch die Zügel des Gespanns führte. Es machte einen Satz …, und der Soldat blieb ohne Pferd und Wagen zurück. So ging dieser unverrichteter Dinge seines Wegs, während das Pferd nach einer ganzen Weile wieder in seinen Heimatstall zurückkehrte.